Lichtgewonde bij schietpartij op parkeerterrein van Inge de Bruijn Zwembad (Hamburg), dader(s) gevlucht

BARENDRECHT – Vanmiddag (Dinsdag 17 november 2020) zijn 2 mannen veroordeeld voor hun betrokkenheid bij het schietincident op de parkeerplaats van het Inge de Bruijn Zwembad. Een conflict in de relationele sfeer liep op donderdagavond 21 mei 2020 aan de Hamburg in Barendrecht zo uit de hand, dat één van de betrokkenen een vuurwapen trok en hiermee heeft geschoten. Eén persoon raakte hierbij gewond aan zijn been.

Een 25-jarige man uit Barendrecht (‘R.’) is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar (volledige uitspraak) en een 29-jarige inwoner van Barendrecht (‘J.’) is veroordeeld tot anderhalf jaar gevangenisstraf (volledige uitspraak). Ook moeten ze samen bijna €7.000 aan schadevergoeding betalen aan het slachtoffer.

Vuurwapen mee naar ruzie

De 25-jarige R. is op 21 mei 2020 met zijn medeverdachte J. naar een parkeerplaats te Barendrecht gereden vanwege een ruzie tussen de broer van R. en een andere persoon. Op die parkeerplaats zou de ruzie uitgevochten worden, maar omdat de verdachte en zijn medeverdachte het geen goed idee vonden dat er twee groepen met elkaar in gevecht zouden gaan, zijn zij samen naar de afgesproken plek gereden om, zoals zij zelf verklarende, de situatie te sussen. De broer van de R. is zelf niet meegegaan naar de parkeerplaats.

Op de parkeerplaats, waar in eerste instantie niemand was, kwam een groep personen op de inmiddels geparkeerde auto met daarin R. en J. af. Toen de verdachten uitstapten, begon er direct een woordenwisseling met de groep: “J. haalde vrijwel direct het vuurwapen tevoorschijn en toonde dit aan de groep.” Deze medeverdachte, in plaats van de latere schutter R., had op dat moment nog het vuurwapen bij zich. Hij had het wapen tijdens het uitstappen na een opmerking van R. achter zijn broekriem gestoken.

Door het tonen van het vuurwapen escaleerde de situatie verder,  R. raakte in gevecht met iemand uit de groep:  “De verdachte riep hierop naar de medeverdachte “geef me dat ding”.” Het vuurwapen werd door J. overgegeven aan R., zo heeft hij later ook bij de politie verklaard.

Gericht geschoten

Uit de bewijslast maakt de rechter verder op dat er vanaf dat moment twee keer op de grond is geschoten, terwijl er een persoon voor hem stond. Hierop is de groep personen gaan rennen.

Daarna, zo stelt de rechter, is er met het vuurwapen op de groep gericht: “Vervolgens schoot de verdachte meerdere keren gericht in de richting van de wegrennende personen.” Hierbij werd één man door zijn bovenbeen geschoten. Volgens een getuige rende R. op dat moment nog achter de man aan.

Dodelijke letsel

De drie rechters oordelen hierover als volgt: “De rechtbank is van oordeel dat de verdachte (R.), die als ongeoefend schutter achter een groep wegrennende personen is aangerend en hierbij meermalen gericht op hen heeft geschoten, naar uiterlijke verschijningsvorm willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daarbij iemand dodelijk letsel zou oplopen.” Hierdoor is er sprake van ‘poging tot doodslag’, welke door de rechter als ‘wettig en overtuigend bewezen’ wordt geacht op basis van het schieten op de wegrennende groep personen.

Los van de poging tot doodslag is in de straf ook het bezit van het vuurwapen meegenomen.

Noodweer

De raadsvrouw van R. (eveneens als de raadsman van J.) pleitte tijdens de zitting voor vrijspraak omdat er sprake zou zijn van noodweer. De rechtbank is van oordeel dat er sprake was van een ‘conflictueuze situatie’, maar dat dat niet vanzelfsprekend betekent dat er ook sprake was van een ‘noodweersituatie’.

De verdachte (R.), die zelf geen onderdeel was van de ruzie waar hij mee naartoe ging, heeft zelf verklaard het vuurwapen te hebben meegenomen. De rechtbank zegt hierover: “Het waren juist de verdachte (R.) en de medeverdachte (J.) die de confrontatie met de groep lieten escaleren door direct al met een wapen uit hun auto stappen toen de groep op hen kwam aflopen en dit wapen te tonen voordat er fysiek geweld was gebruikt.

Geen fatale afloop

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op twee personen door met een vuurwapen op hen te schieten.“, aldus de rechtbank: “De rechtbank wil best aannemen dat de verdachte naar de parkeerplaats waar de feiten hebben plaatsgevonden is gegaan met de bedoeling de ruzie in goede banen te leiden, maar dat neemt niet weg dat de situatie op de parkeerplaats door toedoen van de verdachte en zijn medeverdachte is geëscaleerd en helemaal uit de hand is gelopen toen de verdachte begon te schieten. Zowel de slachtoffers (zeker het gewond geraakte slachtoffer), als de verdachte mogen van geluk spreken dat de schietpartij geen fatale afloop heeft gehad.

Ook het feit dat de schietpartij op een openbare parkeerplaats heeft plaatsgevonden, waar omstanders die er niets mee te maken hadden ook gewond hadden kunnen raken, wordt de verdachte aangerekend: “Dergelijk zinloos geweld veroorzaakt gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.

Straffen

De schutter (R.) is door de rechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden (4 jaar). De rechtbank: “Afgezien van het onderhavige voorval, lijkt de verdachte zijn leven goed op orde te hebben. De reclassering meent dat dat moeilijk te rijmen is met de situatie waarin de verdachte in verzeild is geraakt. (…) De rechtbank verwacht dat de verdachte in de toekomst beter over zijn handelen zal nadenken.

Medeverdachte J. heeft het vuurwapen getoond en hiermee een ‘bedreiging tegen het leven’ geuit richting de groep. Ook rekent de rechtbank het J. aan dat hij R. in de gelegenheid heeft gesteld om met het wapen te gaan schieten, door het wapen aan R. te geven toen hij erom vroeg. J. is veroordeeld tot 18 maanden (1.5 jaar) gevangenisstraf voor ‘medeplichtigheid aan poging tot doodslag’, ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ en voor het voorhanden hebben van het vuurwapen.

De rechter over J:”De rechtbank beseft dat de verdachte een goede baan heeft, een normaal leven leidt en mogelijk zijn baan zal verliezen bij een gevangenisstraf. Gezien de ernst van de feiten en de maatschappelijke impact ervan, ontkomt de rechtbank er niet aan om toch aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Ook moeten J. en R. samen €6.957,89, aan schadevergoeding betalen aan het slachtoffer.

Het is op dit moment niet bekend of er hoger beroep wordt ingesteld tegen het vonnis.

Moord

In eerste instantie heeft justitie R. willen laten veroordelen voor poging tot moord (=doden met voorbedachte rade). Tijdens de rechtszaak heeft de officier van justitie een ander standpunt ingenomen, omdat: “poging tot moord niet wettig en overtuigend is bewezen. Er is geen bewijs dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.” De veroordeling is daardoor voor een ‘poging tot doodslag’.

BarendrechtNU heeft de advocaat in augustus al tweemaal laten weten dat de verdachte de gelegenheid wordt geboden om te reageren op de verdenkingen, maar hierop is geen inhoudelijk reactie gegeven.

Opmerking: In een eerdere versie van dit artikel zijn halverwege het eerste tussenkopje (onder “Vuurwapen mee naar ruzie”) J. en R. omgewisseld geweest. Het bericht is hier inmiddels voor aangepast.



Bekijk hier meer artikels uit de categorie Barendrecht



« | »