Delen

- Advertentie (?) -

Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz Onderdelen Inkomen, Vermogen, Boeten, Terugvordering&Verhaal, en Regeling Kinderopvang Barendrecht 2017

24-08-2018

Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz Onderdelen Inkomen, Vermogen, Boeten, Terugvordering&Verhaal, en Regeling Kinderopvang Barendrecht 2017

Voorwoord
  Voor u liggen de beleidsregels Participatiewet, Ioaw, Ioaz, en Bbz, voor de onderdelen inkomen, vermogen, boeten, terugvordering/verhaal en regeling kinderopvang. Samen met de Uitvoeringsregels 2017 re-integratie en tegenprestatie, waarin ook de Wet taaleis is opgenomen, en de bijbehorende verordeningen, vormen deze het uitvoeringsbeleid van de Participatiewet.   Naar aanleiding van de evaluatie van anderhalfjaar Participatiewet heeft het college een Participatiepremie ingevoerd die bestaat uit een combinatie van vrijlating van inkomsten en een uitstroompremie (bladzijde 10). Tevens is in deze beleidsregels de wachtperiode/zoekperiode beter beschreven voor personen vanaf 27 jaar, die zich hebben gemeld voor een bijstandsuitkering.  

INKOMEN

COMMERCIËLE HUURPRIJS KOSTENDELERSNORM EN KORTING INKOMSTEN UIT VERHUUR

Artikel 1: Begripsbepalingen
1. Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht.2. In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;
b. gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel c van de Participatiewet;
c. woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid van de Participatiewet;
d. commerciële woonrelatie een commerciële woonrelatie (tussen verhuurder/huurder, onderverhuurder/onderhuurder, kostgever/kostganger dient aan de volgende eisen te voldoen:
- er is een schriftelijke overeenkomst, waarin de wederzijdse rechten en plichten geregeld zijn;
- er is een commerciële huurprijs/kostgangersprijs voor het huurgenot vastgelegd in de overeenkomst;
- in de overeenkomst is opgenomen dat de commerciële huurprijs/kostgangersprijs onderhevig is aan jaarlijkse aanpassing, op een vastgestelde datum;
- de betalingen van de huurprijs/kostgangersprijs moeten via het (digitale) bankverkeer verlopen, zodat er betalingsbewijzen overgelegd kunnen worden;
- er moet sprake zijn van een uitsluitend door de belanghebbende te gebruiken kamer;
- er is geen sprake van bloed- of aanverwantschap tussen de verhuurder en huurder, onderverhuurder/onderhuurder, kostgever/kostganger in de eerste en tweede graad;
- In geval van onderhuur/kostgangerschap moet er sprake zijn van schriftelijke toestemming van de verhuurder (Woningbouwvereniging).

e. woonkosten:
1. als een huurwoning wordt bewoond of een kamer wordt gehuurd, de per maand geldende huurprijs, als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag;
2. Indien een eigen woning wordt bewoond, de ten behoeve van de financiering van de woning per maand verschuldigde hypotheekrente, en de in verband met het in eigendom hebben van de woning per maand te betalen zakelijke lasten.

f. woonlasten: alle kosten die verbonden zijn aan het bewonen van een woning met uitzondering van de woonkosten (zoals energiekosten/gas/water/licht etc.)
g. commerciële (onder)huurprijs: de prijs voor de woonkosten (‘kale huurprijs’) die in verhouding staat tot de geleverde prestaties en datgene wat in het commerciële verkeer gebruikelijk is.
h. commerciële kostgangersprijs: de prijs voor de woonkosten, woonlasten en maaltijden die in verhouding staat tot de geleverde prestaties en datgene wat in het commerciële verkeer gebruikelijk is.
i. basishuur: de basishuur als bedoeld in artikel 16 van de Wet op de Huurtoeslag (dat is het bedrag dat voor de vaststelling van het recht op huurtoeslag bij een inkomen op bijstandsniveau voor eigen rekening blijft);
j. Recofa-richtlijnen: bepalingen ten aanzien van woonlasten die zijn ontwikkeld en jaarlijks per januari en juli worden onderhouden door de werkgroep rekenmethode ‘vrij te laten bedrag’ van Recofa.Recofa is de werkgroep rechters-commissarissen in insolventies.

Artikel 2: Toepasselijkheid
1. De bepalingen van deze beleidsregel gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen als beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn.2. De bepalingen van deze beleidsregels laten de toepassing van artikel 18 lid 1 Participatiewet onverlet.

Artikel 3: Commerciële huur/onderhuur/kamerhuurprijs
1. Het college verstaat onder een commerciële prijs van (kamer)huur of onderhuur een bedrag voor woonkosten dat tenminste even hoog is als het bedrag van de basishuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag. Dat is het bedrag dat voor de vaststelling van het recht op huurtoeslag bij een inkomen op bijstandsniveau voor eigen rekening blijft.2. Indien het om een overeengekomen huurbedrag gaat, waarin water- en energielasten zijn inbegrepen, wordt onder commerciële huurprijs verstaan 60% van dat all-in huurbedrag.

Ad. 1
Het bedrag van de commerciële ‘kale’ huur/onderhuur/kamerhuurprijs is het bedrag van de basishuur, zoals omschreven inde wet op de Huurtoeslag. In deze huur zijn begrepen de elementen die voor het bepalen van het recht op huurtoeslag meetellen.
Ad. 2
Uit het feit dat de normhuur in de bijstandsnorm is begrepen, zijnde de norm voor de algemene noodzakelijke bestaanskosten, valt af te leiden dat het om een commerciële huur gaat. De belastingdienst hanteert als bedrag voor commerciële huur een bedrag inclusief kosten van water en energie. 60% van dit bedrag komt overeen met de basishuur. 40% komt overeen met de som van de bedragen die de belastingdienst hanteert voor de waarde die waterverbruik en energieverbruik voor verschillende doeleinden in het economische verkeer vertegenwoordigen.
 

Voorbeeld:

Belanghebbende heeft een huurovereenkomst, waarin een all-in huurprijs is opgenomen van € 300,00 per maand.
 
Zou dit een kale huurprijs zijn, dan zou de huurprijs voldoen aan het criterium ‘commerciële huurprijs’, nu de huurprijs boven de basishuur, zoals omschrijven in de wet op de Huurtoeslag, ligt.
De basishuur bedraagt in 2015 immers € 229,64.
 
Het gaat in deze echter om een all-in huurprijs, waarbij op grond van de systematiek van de Belastingdienst, slechts 60% als ‘kale huurprijs’ kan worden beschouwd.
In dit geval bedraagt de ‘kale commerciële huurprijs’ dus slechts € 300,00 x 60% = € 180,00, waarmee de huurprijs niet voldoet aan het minimumbedrag, wat dient te worden betaald aan woonkosten, wil sprake kunnen zijn van een commerciële huurprijs.

Artikel 4: Commerciële prijs kostgangerschap
1. Het college verstaat onder een commerciële prijs voor kostgangerschap het bedrag dat als commerciële (kamer)huur of onderhuur wordt aangemerkt (de basishuur), met daarbij opgeteld een bedrag voor voeding van € 292,00 per maand.2. Het bedrag genoemd in het eerste lid is afgeleid van de Recofa-richtlijnen voor de kosten van maaltijden, welk bedrag in januari 2015 op € 9,60 per dag is gesteld.3. Het bedrag genoemd onder het eerste lid wordt afgerond op een hele euro.4. Het bedrag als bedoeld in het tweede lid wordt jaarlijks bijgesteld op basis van de regels in hoofdstuk 4.9 van de Refoca-richtlijn.

 

Ad. 1 en 2:

Kosten van voeding voor een kostganger per dag bedragen volgens de Recofa-richtlijnen € 9,60 per dag. Per maand komt dit dan neer op een bedrag van € 9,60 x 365 / 12 = € 292,00.
 

Ad. 4:

De bedragen die in de Recofa-richtlijnen zijn opgenomen, worden tweemaal per jaar geïndiceerd, te weten per 1 januari en per 1 juli.Uit uitvoeringstechnisch oogpunt worden de bedragen zoals genoemd in lid 1 en 2 slechts eenmaal per jaar (januari) opnieuw berekend.
De aangepaste bedragen op grond van de Recofa-richtlijnen, kunnen teruggevonden worden op de site http://www.wsnp.rvr.org, onder het kopje ‘Folders’ en ‘berekening vrij te laten bedrag’.

Artikel 5: Inkomstenkorting bij ontvangst huur of kostgeld
1. De inkomsten uit commerciële (onder)verhuur/kamerverhuur, zoals bedoeld in artikel 33 lid 4 van de Participatiewet, worden op de uitkering in mindering gebracht, onder aftrek van € 62,00 per maand.2. De inkomsten van een kostganger, zoals bedoeld in artikel 33 lid 4 van de Participatiewet, worden op de uitkering in mindering gebracht, onder aftrek van € 354,00 per maand.3. Het bedrag genoemd onder het eerste en tweede lid wordt afgerond op een hele euro.4. Het vrijlatingsbedrag als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt jaarlijks bijgesteld op basis van de regels in hoofdstuk 4.9 van de Refoca-richtlijn.5. Mocht belanghebbende als gevolg van het (onder)verhuren van een kamer geconfronteerd worden met een aantoonbaar verlies aan huurtoeslag, dan dient het bedrag waarvan belanghebbende aantoont dat hij dit misloopt aan huurtoeslag, eveneens op het inkomen uit verhuur in mindering gebracht te worden.

 

Ad 1:

Onder hoofdstuk 4.9 van de Recofa-richtlijn staat het bedrag dat de belanghebbende, na aftrek van een forfaitair bedrag voor kost- en/of inwoning, daadwerkelijk als bijdrage in de woonlasten van de inwoner(s) ontvangt in verband met meerderjarige inwoners. Het forfaitaire bedrag kan, indien er alleen sprake is van inwoning, worden gesteld op € 2,04 per dag voor energie, afschrijving van meubilair en dergelijke. Omwille van de werkbaarheid is het forfaitaire bedrag omgerekend naar een maandbedrag van € 2,04 x 365 : 12 = € 62,05 en vervolgens afgerond op € 62,00.
Met andere woorden: al het meerdere van € 62,00 aan inkomsten uit verhuur moet op de bijstand van belanghebbende in mindering worden gebracht.
 

Ad. 2:

Ten aanzien van de forfaitaire kosten van een kostganger is eveneens aansluiting gezocht bij hoofdstuk 4.9 van de Recofa-richtlijnen. Voor een kostganger zijn de kosten echter hoger.
Het forfaitaire bedrag kan, indien er alleen sprake is van inwoning, worden gesteld op € 2,04 per dag voor energie, afschrijving van meubilair en dergelijke.
Is de inwoner tevens kostganger, dan kan daarnaast voor de maaltijden € 9,60 per dag worden gerekend.
Het forfaitaire bedrag omgerekend dan € 2,04 + € 9,60 = € 11,64 x 365 : 12 = € 354,05 en vervolgens afgerond op € 354,00.
 
Zijn er meerdere kostgangers, dan moet een schaalverdeling worden gemaakt. Voor de tweede inwoner wordt dan 80% van het forfaitaire bedrag genomen, voor de derde 70% en zo verder (deze percentages zijn berekend met behulp van de uitgaven aan voeding en budgetonderzoeken van het CBS).

Artikel 6: Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
 

VERLAGING BIJSTANDSNORM WEGENS ONTBREKEN WOONLASTEN EN VOOR SCHOOLVERLATERS

Artikel 1: Begripsbepalingen
In deze beleidsregels wordt verstaan:

1. onder woonkosten:
a. als een huurwoning wordt bewoond of een kamer wordt gehuurd, de per maand geldende huurprijs, als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag;
b. Indien een eigen woning wordt bewoond, de ten behoeve van de financiering van de woning per maand verschuldigde hypotheekrente, en de in verband met het in eigendom hebben van de woning per maand te betalen zakelijke lasten.

2. onder woonlasten: alle kosten die verbonden zijn aan het bewonen van een woning met uitzondering van de woonkosten (zoals energiekosten/gas/water/licht etc.)
3. onder basishuur: de basishuur als bedoeld in artikel 16 van de Wet op de Huurtoeslag (dat is het bedrag dat voor de vaststelling van het recht op huurtoeslag bij een inkomen op bijstandsniveau voor eigen rekening blijft);

Artikel 2: Toepasselijkheid
1. De bepalingen van deze beleidsregels gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze beleidsregels alleen als beide echtgenoten 21 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn.2. Mocht de uitkomst van de bepaling onder punt 1 in de praktijk onredelijk blijken, dan houdt het college het recht om de uitkering van belanghebbende op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet lager vast te stellen.3. De bepalingen van deze beleidsregels gelden alleen als de uitkering zonder toepassing van de kostendelersnorm wordt verstrekt.

Ad 1.
Vanwege de lagere jongerennorm is ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij belanghebbenden van 18 tot 21 jaar.
De jongerennormen van artikel 20 van de wet zijn laag vastgesteld omdat de ouders nog onderhoudsplichtig zijn jegens hun kinderen totdat deze de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt.
De ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun onderhoudsplicht door hun kind bij hen te laten inwonen of de huur voor hen te betalen. In dergelijke gevallen zou als het ware ‘dubbel gekort’ worden als ook nog krachtens deze beleidsregel de uitkering verlaagd zou worden.

Artikel 3: Ontbreken van woonkosten/woonlasten
1. Van ontbrekende woonkosten/woonlasten is sprake:
a. bij het niet aanhouden van een woning;
b. bij bewoning van een woning waaraan geen woonkosten en/of woonlasten zijn verbonden, bijvoorbeeld bij het bewonen van een gekraakte woning, of het bewonen van een woning waarvoor door een derde de woonkosten en/of woonlasten worden betaald;
2. De verlaging bedraagt 20% van de gehuwdennorm als een woning wordt bewoond waarvoor geen woonkosten én woonlasten verschuldigd zijn;3. De verlaging bedraagt 10% van de gehuwdennorm als een woning wordt bewoond waarvoor alleen woonkosten óf woonlasten verschuldigd zijn;4. In de gevallen die niet onder lid 2 en 3 van dit artikel kunnen worden geschaard, dient de verlaging afgestemd te worden op de individuele situatie, waarbij de verlaging maximaal 20% van de gehuwdennorm kan bedragen.

Ad. 2, 3 en 4
Met het toepassen van één van deze verlagingen kunnen ook de situaties waarin bijvoorbeeld een ex-partner nog woonkosten, woonlasten of een gedeelte van de woonkosten en/of –lasten betaalt, worden afgestemd op de concrete ten laste komende kosten van belanghebbenden.

Artikel 4: Verlaging schoolverlaters
1. Voor een uitwonende belanghebbende als bedoeld in artikel 28 van de wet vindt een verlaging plaats met 10% van de norm bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de Participatiewet gedurende zes maanden na het tijdstip van de beëindiging aan onderwijs of een beroepsopleiding.2. Voor een thuiswonende belanghebbende als bedoeld in artikel 28 van de wet vindt een verlaging plaats met 20% van de norm bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de Participatiewet gedurende zes maanden na het tijdstip van de beëindiging aan onderwijs of een beroepsopleiding.

Ad 1 en 2
Er is gekozen voor een verlaging van 10% van de gehuwdennorm voor uitwonende voormalig studenten, en voor een verlaging van 20% van de gehuwdennorm voor thuiswonende voormalig studenten, omdat deze percentages aan verlaging de situatie van de ontvangst van studiefinanciering het meest benaderen.
 
Het toepassen van een verlaging voor schoolverlaters heeft immers als doel om instroom in de bijstand door schoolverlaters minder aantrekkelijk te maken, door er in ieder geval voor te zorgen dat de hoogte van de bijstandsuitkering nagenoeg gelijk is aan het totale recht op WSF dat de ex-studerende ontving.
 
De bedragen WSF waar in de bijstand rekening mee wordt gehouden, staan vermeld in artikel 3:18 Wet op de Studiefinanciering 2000.

Artikel 5: Anti-cumulatie beding
1. Na toepassing van de artikelen 3 en 4 van deze beleidsregels:
a. bedraagt de uitkering voor de alleenstaande en alleenstaande ouder minimaal 50% van de gehuwdennorm, tenzij sprake is van een verlaging op grond van de afstemmingsverordening, en maximaal 70% van de gehuwdennorm;
b. bedraagt de uitkering voor gehuwden minimaal 80% van de gehuwdennorm, tenzij sprake is van een verlaging op grond van de afstemmingsverordening, en maximaal 100% van de gehuwdennorm.

Artikel 6: Hardheidsclausule
De verlagingen van de bijstandsnorm in deze beleidsregels vinden plaats onverminderd het bepaalde in artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet.

Artikel 7: Citeertitel
Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als Beleidsregels verlagingen bijstandsnorm op grond van artikel 27 en 28 Participatiewet.
 

VRIJLATING GIFTEN

In artikel 31 lid 2 sub m Participatiewet is opgenomen dat niet tot de middelen van een belanghebbende worden gerekend, ‘giften voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn’. Voor zover giften een structureel karakter hebben, dienen deze als inkomsten te worden beschouwd, en dienen ze volledig op de bijstandsuitkering in mindering gebracht te worden.
 
Eenmalige giften of zeer incidentele giften, dienen – onder bepaalde voorwaarden - als vermogen te worden aangemerkt. Zie voor de vrijlating daarvan het kopje ‘Vrijlating giften’ in het hoofdstuk ‘Vermogen’.
 

NORMOMZETTING ALGEMENE BIJSTAND TIJDELIJKE OPNAME IN INRICHTING

1. Bij opname in een inrichting of ziekenhuis dient de normale uitkeringsnorm van de belanghebbende van 21 jaar of ouder met eigen huisvesting/huishouding, tot en met de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand van opname, te worden gehandhaafd. Daarna dient de normale uitkeringsnorm omgezet te worden naar de norm voor verblijf in een inrichting.
2. Bij opname in een inrichting of ziekenhuis dient de normale uitkeringsnorm van de belanghebbende van 21 jaar of ouder zonder eigen huisvesting/huishouding, tot en met de laatste dag van de eerste maand volgend op de maand van opname, te worden gehandhaafd. Daarna dient de normale uitkeringsnorm omgezet te worden naar de norm voor verblijf in een inrichting.
3. Bij gedeeltelijke opname in een inrichting of ziekenhuis, dient de normale uitkeringsnorm voor belanghebbenden zoals beschreven in lid 1 en 2, na de periode genoemd in lid 1 en 2, naar rato te worden omgezet naar de norm voor verblijf in een inrichting.

Ad 3 voorbeeld:

Het komt wel eens voor dat een belanghebbende, als onderdeel van de therapie, een aantal dagen per week thuis of elders verblijft.
 
Bij een verblijf van 1, 2 of 3 dagen buiten de inrichting, dit kan zowel binnen als buiten de gemeente zijn, wordt de norm als volgt aangepast:
5 dagen in inrichting, 2 dagen geheel zelfstandig wonend

5/7 norm inrichting (artikel 23 Participatiewet)

2/7 gewone norm (artikel 21 Participatiewet)

5 dagen in inrichting, 2 dagen inwonend bij kostendelers

5/7 norm inrichting (artikel 23 Participatiewet)

2/7 norm kostendeler (artikel 22a Participatiewet)

 
Bij een verblijf van 4 dagen of meer buiten de inrichting, buiten de gemeente, dient de uitkering beëindigd te worden en overgedragen te worden aan de andere gemeente.
Het is verstandig contact op te nemen met deze gemeente om het dossier toe te lichten.
 

INKOMSTENVRIJLATING

Artikel 1: Soorten inkomstenvrijlatingen
De Participatiewet, IOAZ en IOAW kennen drie mogelijke inkomstenvrijlatingen:

1. De reguliere inkomstenvrijlating;
2. De aanvullende inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders;
3. De inkomstenvrijlating voor personen met een medische urenbeperking.

Reguliere en aanvullende inkomstenvrijlating
Het recht op de reguliere en aanvullende inkomstenvrijlating zijn op grond van de wet afhankelijk gesteld van het feit dat de inkomstenvrijlating naar het oordeel van het college moet bijdragen aan de arbeidsinschakeling.
 
Het college heeft besloten om, rekening houdend met de armoedeval, en de ruimte tot maatwerk zoveel mogelijk te willen benutten, een Participatiepremie te verstrekken, die een combinatie is van een uitstroompremie en een vrijlating van inkomsten. Hiermee wordt beoogt negatieve financiële gevolgen in verband met werkaanvaarding, als gevolg van de werking van bijvoorbeeld toeslagen, worden tegengegaan. Door de duur tot 1 jaar te beperken, de hoogte maximaal te stellen op € 1000,- en de uitstroompremie te verbinden aan het behouden van werk, wordt beoogd dat de premie bijdraagt aan duurzame arbeidsinschakeling.
 
Deze premie houdt in dat per klant die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer aangewezen is (geweest) op een bijstandsuitkering, gedurende een uitkeringsperiode, eenmalig een totaalbedrag van € 1.000,- per persoon vrijgelaten/toegekend kan worden. Dat kan in de vorm van een inkomstenvrijlating (Artikel 31, lid 2, onder n of r), een uitstroompremie (artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet), conform de regeling van de betreffende premie, of als combinatie van beiden.

Artikel 2: ingangsdatum
Deze regeling gaat in per 1-1-2017.
 
Zie voor meer informatie de ‘Richtlijnen voor de uitvoering 2017 re-integratie en tegenprestatie’.
Uitstroompremie
In plaats van de mogelijkheid tot het toepassen van een inkomstenvrijlating, wordt de mogelijkheid tot het verstrekken van een uitstroompremie opnieuw geïntroduceerd.
Zie hierover het beleid onder het kopje ‘Uitstroompremie’.

Artikel 3: Inkomstenvrijlating medisch uren beperkten
Op grond van artikel 32 lid 2 sub z Participatiewet, artikel 8 lid 7 IOAW en artikel 8 lid 11 IOAZ hebben belanghebbenden die als medisch uren beperkt zijn aangemerkt, recht op een inkomstenvrijlating van 15% van de verdiende inkomsten, met een maximum van € 124,00 (bedrag per 1-1-2015).
3.1: Wat is medisch uren beperkt
Een belanghebbende is medisch urenbeperkt indien hij voor een geringer aantal uren belastbaar is dan de normale arbeidsduur. Onder normale arbeidsduur wordt verstaan de arbeidsduur die in overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen.
 
De medische urenbeperking moet een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling.
3.2: Vaststelling medische urenbeperking
De vaststelling dat een belanghebbende een medische urenbeperking heeft, kan:

- Ambtshalve door het college;
- Op schriftelijke aanvraag van belanghebbende

Indien het college, uit verstrekte informatie van belanghebbende, reeds bekende informatie uit het dossier of anderszins, vermoedt dat er sprake is van een medische urenbeperking, kan het college ambtshalve besluiten tot het laten vaststellen hiervan.
 
Anderzijds kan belanghebbende zelf ook schriftelijk verzoeken om te laten vaststellen dat hij medisch urenbeperkt is.
Een dergelijke aanvraag kan belanghebbende slechts één keer per 12 maanden indienen.
 
Voor een dergelijke aanvraag hoeft belanghebbende niet een specifiek aanvraagformulier in te vullen, maar is een schriftelijk en ondertekend verzoek van belanghebbende voldoende.
3.3: Wijze van vaststelling medische urenbeperking
Om vast te kunnen stellen of een belanghebbende medisch urenbeperkt is, doet het College een schriftelijk verzoek aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) voor een medische keuring via http://www.uwv.nl/zakelijk/formulieren-documenten/index.aspx, onder het kopje ‘Aanvragen indicatie of advies (Participatiewet)’.
 
Het UWV geeft naar aanleiding van een medisch onderzoek een advies aan het College.
3.4: Aanvang inkomstenvrijlating
Zodra uit het onderzoek van het UWV blijkt dat belanghebbende urenbeperkt is, wordt de inkomstenvrijlating toegepast, met ingang van:

- Datum onderzoek UWV inzake de vaststelling medische urenbeperking, of
- Indien het onderzoek is aangevraagd op verzoek van belanghebbende, datum aanvraag belanghebbende.

3.5: Duur van de vrijlating
Deze inkomstenvrijlating kan voor onbeperkte duur toegepast worden:
Mocht de belanghebbende tot zijn pensioengerechtigde leeftijd aanvullende bijstand nodig hebben vanwege de medische urenbeperking, dan heeft hij voor de gehele duur van de uitkering ook recht op de inkomstenvrijlating.
3.6: Verzwegen inkomsten
Aangezien de wetsartikelen omtrent de inkomstenvrijlating voor structureel medisch uren beperkten het college geen enkele beoordelingsruimte geeft, kan niet gesteld worden dat bij het verzwijgen van inkomsten, het recht op inkomstenvrijlating (tijdelijk) komt te vervallen.
 
Ook als de medisch uren beperkte dus inkomsten heeft verzwegen, blijft hij wettelijk gezien recht hebben op toepassing van de inkomstenvrijlating.

GEMEENTELIJKE REGELING KREDIETHYPOTHEEK

Artikel 50 van de Participatiewet zegt het volgende inzake het recht op bijstand bij woningbezit:

De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf heeft recht op bijstand, voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.

 

Indien er recht op algemene bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een geldlening:

a.
indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meet bedraagt dan het netto minimumloon, en

b.
voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34 lid 2 sub d

Indien op grond van artikel 50 Participatiewet bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend, dient belanghebbende hiertoe zekerheid te geven door het vestigen van een hypotheek of recht van pand.

 

In artikel 3 lid 6 Participatiewet wordt met een woning gelijkgesteld een woonwagen of een woonschip.

 
In deze richtlijn wordt voorgesteld om de mogelijkheid tot het vestigen van een hypotheek c.q. recht van pand te benutten om zodoende meer zekerheid te hebben tot het terugbetalen van de geldlening.
Het verschil tussen hypotheekrecht en pandrecht
Hypotheekrecht en pandrecht zijn beide zekerheidsstellingen. De gemeente heeft bij beide rechten het recht van parate executie als de schuldenaar zijn verplichtingen niet nakomt. Een hypotheekrecht kan alleen gevestigd worden op registergoederen.
 
Het hypotheekrecht geeft een veel grotere zekerheid dan het pandrecht. Hypotheekrecht wordt gevestigd door inschrijving van de notariële akte bij het kadaster. Aan vervreemding of belening van het registergoed, komt iedere keer weer een notaris te pas. Deze moet de kadastrale registers raadplegen.
 
Een pandrecht wordt geregistreerd bij de Inspectie Registratie en Successie van de Belastingdienst of bij een notaris. Een probleem bij het pandrecht is dat deze registers niet openbaar zijn. De kenbaarheid voor derden is daardoor beperkt. Het kan dan ook gebeuren dat een zaak waarop pandrecht rust, wordt verkocht zonder dat de koper bekend was met het pandrecht.
Bij een registergoed is dat onmogelijk.
 
Woningen zijn altijd registergoederen.
Voor woonschepen ligt dit anders. Een woonschip kan op grond van artikel 8:790 lid 1 BW ingeschreven worden in het kadaster. Voor woonschepen met een laadvermogen van 20 ton of meer, en binnenschepen met een waterverplaatsing van meer dan 10 kubieke meter is registratie verplicht.
Een woonschip voldoet bijna nooit aan deze eisen.
Voor woonwagens geldt dat deze niet geregistreerd kunnen worden in het kadaster. Het vestigen van een pandrecht is dan de enige optie.
 

Voorliggende voorziening:

Voordat er een krediethypotheek wordt gevestigd, moet beoordeeld worden of er een kans bestaat dat de klant zelf bij de bank een (aanvullende) hypothecaire geldlening kan afsluiten. De hypotheekverstrekker zal dan beoordelen of er financiële ruimte is voor (verdere) bezwaring, dus voor een (aanvullende) hypothecaire geldlening. Als dat niet kan wordt de procedure van krediethypotheek in gang gezet.
 
Ondanks het ontbreken van een inkomen om de (aanvullende) hypothecaire geldlening af te lossen, zijn er banken die onder bepaalde voorwaarden een (aanvullende) hypothecaire geldlening af willen sluiten:

- Florius Verzilverhypotheek
- Rabo OverwaardePlan

De klant dient dan ook op deze mogelijkheden gewezen te worden, alvorens over te gaan tot het verstrekken van bijstand in de vorm van een krediethypotheek..

Artikel 1: Medewerkingsverplichting
1. Bij verlening van bijstand onder verband van hypotheek of pandrecht dient aan de belanghebbende telkens de verplichting te worden opgelegd dat hij meewerkt aan de vestiging van hypotheek of het stil pandrecht.2. Het niet verlenen van de medewerking als bedoeld onder punt 1 heeft tot gevolg, dat een aanvraag voor bijstand wordt afgewezen/ingetrokken en dat de reeds verstrekte bijstand terstond opeisbaar is.

Artikel 2: Hoogte lening
De hoogte van de geldlening bedraagt ten hoogste de waarde van de woning in het economische verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en verminderd met het vrij te laten vermogen, als bedoeld in artikel 34 lid 2 sub d Participatiewet.
 
Het gaat dus om de verkoopprijs die zou kunnen worden ontvangen bij een vrije verkoop en lege oplevering van de woning.

Artikel 3: Vaststelling waarde woning
De Participatiewet schrijft niet voor op welke wijze de waarde van de woning moet worden vastgesteld. Het college kan hiervoor richtlijnen vaststellen. De hieronder beschreven werkwijze wordt gevolgd:

1. Voor de waardevaststelling kan worden uitgegaan van de meest recente WOZ- waardebeschikking die in het kader van de Wet waardering onroerende zaken jaarlijks aan de eigenaar wordt uitgereikt.
2. Daarbij kan worden aangetekend dat op verzoek van belanghebbende van deze WOZ- waardebeschikking kan worden afgeweken, indien belanghebbende van oordeel is dat de vastgestelde waarde geen recht doet aan de huidige waarde, door bijvoorbeeld een snel inzakkende markt. De WOZ_waardepeildatum ligt namelijk een jaar voor het kalenderjaar van de WOZ-waardebeschikking. Als er aanleiding bestaat om van de WOZ-waardebeschikking af te wijken, wordt een taxateur ingeschakeld.Omdat het verzoek, om af te wijken, door belanghebbende is gedaan, zijn de kosten van taxatie in principe voor rekening van belanghebbende.Belanghebbende kan zelf een taxateur aanwijzen. Deze dient echter wel gecertificeerd te zijn en vermeld te staan in het taxateursregister VastgoedCert of SCVM.

De waarde van de woning die niet zelf wordt bewoond
Wanneer er sprake is van een woning die belanghebbende of zijn gezin zelf in eigendom bewoont, dan kan die woning vrij worden opgeleverd. Dat is echter anders bij een woning in eigendom die aan derden is verhuurd. Vanwege het huurrecht kan die woning in het algemeen niet vrij worden opgeleverd. De waarde van woningen in verhuurde staat, waarbij vrije oplevering niet mogelijk is, wordt vastgesteld op 60% van de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering.
 
Indien sprake is van een woning die niet zelf wordt bewoond, maar wordt verhuurd aan derden, is de vermogensvrijlating van artikel 34 lid 2 sub d Participatiewet echter sowieso niet aan de orde. Hierdoor zal bijstand (ook in de vorm van een geldlening) over het algemeen niet mogelijk zijn, tenzij aangetoond kan worden dat er redelijkerwijs (nog) niet over het vermogen in de woning kan worden beschikt, en de inkomsten uit verhuur lager zijn dan de geldende bijstandsnorm.

Artikel 4: Kosten taxatie
Als de bijstandsgerechtigde niet de middelen heeft om de taxatiekosten te voldoen, kan hiervoor bijzondere bijstand worden verleend, die in de regel niet kan worden opgenomen in de bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van krediethypotheek of verpanding. Dit omdat deze bijzondere bijstand alleen in de vorm van bijstand om niet kan worden verleend, tenzij sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, of indien sprake is van binnenkort te ontvangen middelen voor dit doel (artikel 48 Participatiewet).

Artikel 5: Bijkomende kosten vestigen krediethypotheek
Voor het vestigen van een krediethypotheek of pandrecht is een beëdigde notaris vereist. De bijstandsgerechtigde is vrij in zijn keuze welke notaris hij wil inschakelen. Het moet wel een beëdigde notaris zijn. De notaris stelt op verzoek een krediethypotheekakte of pandovereenkomst op. Hierin moet het maximale bedrag van de krediethypotheek of verpanding worden opgenomen, de aflossings- en rentebepalingen, de gestelde zekerheden, de nadere verplichtingen, de gebruikelijke hypotheekbedingen, de hoofdelijke aansprakelijkheid etc.
Deze akte of overeenkomst moet vervolgens ingeschreven worden in de registers.
 
Aan al deze handelingen zijn kosten verbonden. Deze aan de vestiging van krediethypotheek of verpanding gerelateerde kosten moeten in principe door belanghebbende zelf betaald worden.
Is belanghebbende daartoe niet in staat, dan kan daarvoor bijzondere bijstand worden aangevraagd. De bijzondere bijstand wordt ‘om niet’ verleend, omdat uit artikel 48 lid 2 Participatiewet volgt dat deze bijzondere bijstand niet in de vorm van een geldlening kan worden verstrekt, tenzij sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de bestaansvoorziening, of indien sprake is van binnenkort te ontvangen middelen om in het bestaan te voorzien.
Mede gelet op artikel 48 kan de bijzondere bijstand ook niet worden meegenomen in de krediethypotheek of verpanding.

Artikel 6: Hernieuwde bijstandsaanvraag
Indien binnen een periode van 2 jaar na beëindiging van de bijstand in de vorm van een lening (onder verband van hypotheek of pandrecht) wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek c.q. het laatst gevestigde pandrecht.
 
De periode van 2 jaar gaat dus in op het moment dat de bijstand in de vorm van een lening is beëindigd, welke niet gelijk hoeft te zijn aan de datum van de beëindiging van de bijstandsuitkering.
 
De bijstand kan immers, aansluitend op het bereiken van het plafond van de geldlening, doorlopen in bijstand om niet.
 
Tenzij forse wijziging in de waarde van de woning (positief of negatief?)
We hanteren hiervoor een drempelbedrag van de netto bijstandsjaarnorm voor een gezin (afgerond naar boven en inclusief vakantiegeld).

Artikel 7: Jaarlijks opgave restantschuld en rentevorderingen
Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen.

Artikel 8: Krediethypotheek is volgestort
Als tijdens de verlening van bijstand de maximale hypotheekruimte wordt opgenomen, komt aan de orde wat er na het bereiken van het maximumbedrag gaat gebeuren.
De uitkering wordt om niet verleend, en er vindt in principe geen nieuwe vermogensbeoordeling plaats zolang het recht op bijstand doorloopt, of niet langer dan 30 dagen wordt onderbroken.
 
In het geval er op het moment van volstorting van de krediethypotheek naar verwachting sprake is van een stijging van de waarde van de woning, kan de gemeente opnieuw de overwaarde in de woning gaan vaststellen. Uiteraard wordt daarbij de hypothecaire schuld bij de Gemeente als negatief vermogensbestanddeel meegenomen.
Als daartoe aanleiding bestaat kan er opnieuw bijstand in de vorm van een geldlening, onder verband van (een nieuwe) krediethypotheek worden verleend.
We hanteren hiervoor een drempelbedrag van de netto bijstandsjaarnorm voor een gezin (afgerond naar boven en inclusief vakantiegeld).

Artikel 9: Verkoop en/of vererving van de woning
1. Bij verkoop van de woning, en indien het een echtpaar betreft, bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, evenals de onder artikel 11 lid 10 en 11 bedoelde bijgeschreven rente, direct afgelost.2. Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard dan wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende, na toepassing van het gestelde onder lid 1, besluiten een nieuwe geldlening te verlenen voor de aankoop van een andere woning, eveneens onder verband van hypotheek of pandrecht, tot ten hoogste het bedrag van de onder lid 1 afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen – met inbegrip van het onder lid 3 bedoelde bedrag – volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.3. Indien bij verkoop van de woning, op basis van de waarde bij vrije oplevering in het economisch verkeer, het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.

Artikel 10: Einde krediethypotheek of pandovereenkomst
De gevestigde krediethypotheek komt te vervallen als de gemeente met een akte van royement de verworven zekerheid uit handen geeft. Dit is het geval:

- bij verkoop van de met krediethypotheek of pandrecht bezwaarde woning;
- bij het verlaten van de met krediethypotheek of pandrecht bezwaarde woning;
- nadat de gehele geldlening is afgelost.

Het ondertekenen van de akte van royement betekent een doorhaling in het hypotheekregister. Dit gebeurt pas als het geleende bedrag inclusief de verschuldigde rente is voldaan.

Artikel 11: Aflossings- en rentebepalingen
1. Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste 10 jaar;2. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening, en vindt maandelijks plaats;3. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld;4. Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 Participatiewet dat niet uitgaat boven 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3 Participatiewet, wordt geen aflossing gevergd;5. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stellen Burgemeester en wethouders, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast;6. Bij de omstandigheden als bedoeld in lid 5 wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.7. Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van 10 jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening direct opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd;8. Indien, na afloop van de aflossingsperiode een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening;9. De rente is de wettelijke rente, verminderd met 3 procent;10. Indien belanghebbende naar het oordeel van Burgemeester en wethouders de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, maar niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening;11. Indien belanghebbende naar het oordeel van Burgemeester en wethouders geen rente kan betalen, wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening;12. Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.

Artikel 12: Tenietgaan pand- of hypotheekrechten / verjaring (artikel 3:323 BW)
1. Indien een belanghebbende tijdens de periode waarop recht op bijstand bestaat, geen rente en aflossing verschuldigd is, geeft het college al bij toekenning van de geldlening uitstel van betaling gedurende de periode dat algemene bijstand wordt ontvangen, uiterlijk tot het moment dat de woning, de woonwagen of het woonschip te gelde wordt gemaakt, voor zover dat in de periode van bijstandsverlening plaatsvindt. Dit ter verlenging van de verjaringstermijn van 20 jaar.2. Als een belanghebbende (inmiddels) aflossings- en eventueel renteverplichtingen heeft en die verplichtingen ook nakomt, erkent hij het recht op betaling en door deze erkenning stuit de verjaring conform artikel 4:105 Awb.

Woonkostentoeslag
Bijzondere bijstand voor woonkosten kan in de regel niet als geldlening worden verleend. In artikel 50 lid 2 Participatiewet is namelijk alleen opgenomen dat bij vermogen in de eigen woning boven de vrijlating, de algemene bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend.
Alleen als de noodzaak tot verlening van deze bijzondere bijstand het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de bestaansvoorziening, of indien er sprake is van binnenkort te ontvangen middelen om in het bestaan te voorzien, is op grond van artikel 48 lid 2 Participatiewet deze bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening mogelijk. Een woonkostentoeslag is ook bijzondere bijstand en kan dus niet meegenomen worden in de krediethypotheek.

PARTTIME ONDERNEMERSCHAP

Volledige uitstroom uit de bijstand naar regulier werk is het ultieme doel, maar in de praktijk voor veel cliënten niet altijd haalbaar. Soms kunnen tijdelijk werk en deeltijd werk een goede opstap zijn naar volledige uitstroom. Dat kan zijn in de vorm van loondienst, maar voor sommige cliënten kan ook parttime ondernemerschap een goed (tijdelijk) alternatief zijn. Klanten die parttime of flexibel werken zijn actief, doen werkervaring op en verlagen de uitkeringslasten.
 
Parttime ondernemen is ook een vorm van deeltijdwerken. Vanwege de opkomst van deeltijdbanen, toenemend gebruik van internet is het op veel manieren mogelijk om parttime te ondernemen, al dan niet in combinatie met een parttime baan. Het zogenaamde hybride ondernemerschap is erg in opkomst. Niet elk bedrijfstype is geschikt voor parttime ondernemerschap. Over het algemeen zal het alleen geschikt zijn bij bedrijfstypen met lage vaste lasten, geen of weinig investeringen en een laag financieel afbreukrisico.
Bij parttime ondernemers zijn er op basis van praktijkervaringen twee profielen geconstateerd:
 

• Parttime ondernemen is het maximaal haalbare omdat er om wat voor reden dan ook een volledige werkbelasting niet mogelijk is;
• Parttime ondernemen vergroot het netwerk, activeert en vormt een opstap naar een (parttime) baan of uiteindelijk uitstroom naar volledig ondernemerschap.

Wat is parttime ondernemerschap?
Hieronder wordt verstaan dat de feitelijke werkzaamheden van de belanghebbende (en zijn partner) maximaal 20 uur per week bedragen.
Als de belanghebbende activiteiten ontwikkelt die meer zijn dan van bescheiden omvang, dient belanghebbende een keuze te maken:

- Of de activiteiten terugbrengen, óf
- De levensvatbaarheid van de activiteiten laten toetsen middels een aanvraag als starter ingevolge het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004).

Verplichtingen bij parttime ondernemerschap:

1. De ondernemer moet volledig reëel beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt. Deze verplichting wordt onvoorwaardelijk opgelegd.
2. De ondernemer moet schriftelijk toestemming vragen bij de klantmanager Werk en de medewerker Zelfstandigen voor het uitvoeren van parttime ondernemerschap. Dit omdat aan de hand van de criteria beoordeeld moet worden of er inderdaad sprake is van een bescheiden omvang, er aan de zelfstandige activiteiten voorwaarden gesteld moeten worden en er nauwkeurige afspraken gemaakt moeten worden over de verantwoording en verrekening van verdiensten.
3. De ondernemer moet ingeschreven blijven staan als werkzoekende bij het UWV Werkplein.
4. De ondernemer moet volledig beschikbaar zijn voor arbeid in loondienst.
5. De ondernemer moet actief blijven solliciteren en meewerken aan uitstroom.
6. De ondernemer moet gebruik maken van een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
7. De ondernemer is verplicht om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.
8. De ondernemer dient periodiek inzicht te geven in zijn activiteiten, tijdsbesteding etc.
9. De ondernemer dient te voldoen aan de wettelijk gestelde vestigingsvereisten voor de activiteiten, zoals vergunningen etc.
10. De ondernemer dient zich in te laten schrijven bij de Kamer van Koophandel.
11. De ondernemer dient een aparte bankrekening te hebben voor de zakelijke transacties.
12. De ondernemer dient ervoor te zorgen dat de bedrijfskosten in een reële verhouding staan tot de omzet en dit inzichtelijk te kunnen maken via de boekhouding.
13. Voor investeringen en grote aankopen wordt vooraf toestemming gevraagd aan de medewerker zelfstandigen.
14. De ondernemer dient de werkzaamheden snel te kunnen beëindigen als er werk wordt aangeboden, en moet dus geen langdurige verplichtingen of contracten aangaan.
15. De ondernemer dient een boekhouding/administratie te voeren voor de Belastingdienst en de Gemeente.
16. De ondernemer dient jaarlijks de belastingaangifte te overleggen.
17. De ondernemer mag zich bij de Belastingdienst niet als zelfstandige presenteren, en mag ook geen zelfstandigenaftrek aanvragen bij de Belastingdienst.
18. De ondernemer dient zijn activiteiten aan te bieden tegen een marktconforme uurprijs.

Inkomstenkorting:

Aan de parttime ondernemer wordt een bijstandsuitkering om niet toegekend.
Maandelijks worden de volledige inkomsten, die opgegeven worden middels een Meldingsformulier Uitkeringen, op de uitkering in mindering gebracht.
De inkomsten betreffen de omzet minus kosten (exclusief BTW).
Jaarlijks stelt de medewerker zelfstandigen de definitieve berekening van de inkomsten vast.
 
In de beschikking, waarin toestemming gegeven wordt voor het parttime ondernemerschap dient opgenomen te worden, dat ingevolge artikel 58 lid 2 sub e Participatiewet de bijstand wordt teruggevorderd, indien de uiteindelijke inkomsten hoger zijn geweest dan waarmee rekening is gehouden.
 

Toegestane bedrijfskosten:

Alleen de noodzakelijke kosten die gemaakt moeten worden voor de uitvoering van de werkzaamheden mogen als bedrijfskosten in mindering gebracht worden op de omzet.
Bedrijfskosten moeten aannemelijk gemaakt kunnen worden aan de hand van rekeningen en bankafschriften. De medewerker zelfstandigen controleert periodiek of de kosten reëel zijn. Voor investeringen en grote aankopen wordt vooraf toestemming gevraagd aan de medewerker zelfstandigen.
 

Herbeoordeling:

Periodiek, minimaal eens per jaar, moet er een heronderzoek plaatsvinden om te beoordelen of de belanghebbende voldoet aan de verplichtingen, en om de definitieve inkomsten vast te stellen.
Dit onderzoek wordt uitgevoerd door de medewerker zelfstandigen, in samenwerking met de klantmanager werk/inkomen.
De arbeidsverplichtingen worden door de klantmanager werk gecontroleerd. Tijdens de onderzoeken zal ook worden bekeken of de werkzaamheden kunnen worden uitgebreid naar volledig ondernemerschap.
 

Afstemming:

Als belanghebbende zich niet houdt aan de opgelegde verplichtingen op het gebied van het parttime ondernemerschap, dan wordt er een maatregel overwogen door de medewerker zelfstandigen.
Als het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld, omdat belanghebbende geen of onvoldoende informatie geeft over de inkomsten en uitgaven als parttime ondernemer, kan de uitkering worden beëindigd.
Als belanghebbende zich niet houdt aan de opgelegde re-integratieverplichtingen, beoordeelt de klantmanager werk of er een maatregel moet worden opgelegd.

COMPENSATIEREGELING ALLEENSTAANDE OUDERS (zonder recht op alleenstaande ouderkop ALO)

1. Alleenstaande ouders die hebben verzuimd kindgebondenbudget aan te vragen, hebben geen recht op de compensatieregeling, omdat zij aanspraak kunnen maken op een passende en toereikende voorliggende voorziening.
2. Alleenstaande ouders die, buiten hun schuld om, niet in aanmerking komen voor de ALO-kop, en eveneens niet onder het overgangsrecht vallen, kunnen in aanmerking komen voor de Compensatieregeling alleenstaande ouders zonder ALO-kop. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan alleenstaande ouders, met een fiscale partner:
- die in een verpleeginstelling woonachtig is
- die in detentie zit
- waarvan het verzoekschrift tot echtscheiding nog niet bij de Rechtbank is ingediend;

3. Het recht op de Compensatieregeling wordt voor bijstandsgerechtigden ambtshalve vastgesteld;
4. Niet-bijstandsgerechtigden kunnen middels een aanvraag levensonderhoud Participatiewet aanspraak maken op de compensatieregeling.
5. De compensatie wordt voor de duur van maximaal 1 kalenderjaar vastgesteld, waarbij de ingangsdatum niet kan liggen vóór de datum stopzetting recht op ALO-kop, maar in ieder geval niet vóór 1 januari 2015.
6. De compensatieregeling geldt totdat nieuwe regelgeving bij de Belastingdienst dit overbodig maakt.
7. De ALO-kop bedraagt in 2015 € 3.050,00 per jaar. Het recht op compensatie bedraagt dan ook in 2015 € 3.050,00 per jaar.
8. De compensatie wordt maandelijks betaalbaar gesteld, ter hoogte van 1/12 x € 3.050,00 = € 254,17 per maand.
9. De compensatie wordt verstrekt als algemene bijstand, en is dan ook belast.

Voorbeelden:

1. Mevrouw X geniet op 31 december 2014 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Op 4 februari 2015 bevalt zij van haar eerste kindje.De biologische vader van het kindje is niet in beeld.Mevrouw X kan ingaande 1 maart 2015 aanspraak maken op de ALO-kop van de Belastingdienst. Over de periode 4 februari 2015 tot 1 maart 2015 valt zij buiten de boot, maar heeft zij wel degelijk hogere kosten als gevolg van de geboorte van haar kindje. Over de periode 4 februari 2015 tot 1 maart 2015 kan er ‘extra’ bijstand worden toegekend ter hoogte van 25/28 x € 254,17 op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet.
2. Mevrouw X en meneer Y genieten samen met hun minderjarige kind op 31 december 2014 een bijstandsuitkering naar de norm voor een gezin.Op 1 februari 2015 wordt meneer Y in detentie genomen.Omdat meneer Y de fiscale partner is van mevrouw X, kan zij per 1 februari 2015 geen aanspraak maken op de ALO-kop van de Belastingdienst.Zij kan eveneens aanspraak maken op het overgangsrecht, nu zij op 31 december 2014 geen bijstand ontving naar de norm voor een alleenstaande ouder. Vanaf de dag dat meneer Y in detentie wordt genomen, kan aan mevrouw X om die reden ‘extra’ bijstand worden toegekend á € 254,17 per maand op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet, voor de duur van de detentie van meneer Y.

BIJSTAND VOOR KINDEREN VAN TIENERMOEDERS (ARTIKEL 16 EN 18 PARTICIPATIEWET)

1. Als passende en toereikende voorliggende voorziening voor het recht op bijstand, wordt de ALO-kop van de Belastingdienst aangemerkt. Indien de minderjarige ouder hier aanspraak op kan maken, bestaat er geen recht op bijstand voor het kind van de minderjarige ouder.
2. Indien de minderjarige ouder geen aanspraak kan maken op de ALO-kop van de Belastingdienst als gevolg van het hebben van een toeslagpartner, én de minderjarige ouder(s) ontvangt/ontvangen kinderbijslag voor het kind, dan kan er bijzondere bijstand worden verleend met toepassing van artikel 16 Participatiewet ten behoeve van het kind van (een) ouder(s) die minderjarig is/zijn. De bijstand wordt vastgesteld op de verhoging van de ALO-kop per jaar, die in 2015 maximaal € 3.050,00 bedraagt.
3. De bijstand bedoeld onder lid 2 wordt beëindigd op het moment dat de minderjarige ouder(s) de leeftijd van 18 jaar heeft/hebben bereikt.
4. De aanvraag voor bijstand bedoeld onder lid 2 moet worden ingediend door de wettelijk vertegenwoordiger(s) van de minderjarige ouder(s) (meestal de ouders van de minderjarige ouder).
5. Als er bijstand wordt verstrekt ten behoeve van het kind van de minderjarige alleenstaande ouder, dient er een verhaal onderzoek te worden gepleegd naar de vader van het kind.

BIJSTAND IN RELATIE TOT SCHOLINGSPLICHT JONGEREN 18-27 JAAR

Jongeren tussen de 18 en 27 jaar nemen in de Participatiewet een bijzondere positie in.
Voor hen geldt een aantal aanvullende rechten en plichten. Voor jongeren gelden drie aanvullende uitsluitingsgronden voor het recht op algemene bijstand.
Uit artikel 13 lid 2 sub c en d van de Participatiewet volgt dat geen recht op algemene bijstand bestaat voor jongeren:

1. Als de jongere uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen, en in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering;
2. Als de jongere uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen, in verband hiermee geen aanspraak heeft op studiefinanciering, maar de jongere volgt dit onderwijs niet;
3. Als uit de houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn arbeidsverplichtingen van artikel 9 Participatiewet, of de aanvullende verplichtingen op grond van artikel 55 Participatiewet, niet wil nakomen.

4 weken wachttijd voor jongeren tot 27 jaar
In verband met bovenstaande uitsluitingsgronden, krijgen jongeren die zich melden voor bijstand, eerst 4 weken wachttijd, om zelf naar werk en opleidingsmogelijkheden te zoeken.
De verantwoordelijkheid om zich in te schrijven voor een opleiding en studiefinanciering aan te vragen, ligt bij de jongere zelf. In die eerste 4 weken mag de jongere géén aanvraag voor bijstand indienen.
Doet hij dit toch, dan dient de aanvraag buiten behandeling gesteld te worden op grond van artikel 4:5 lid 1 sub a Awb. In de wachttijd heeft de jongere ook geen recht op ondersteuning richting werk en/of scholing. Wel kan de jongere tot 23 jaar in de wachttijd van 4 weken verwezen worden naar het RMC / De Jonge Krijger voor een scholingsadvies. Binnenkort kunnen ook jongeren vanaf 23 jaar weer verwezen worden naar De Jonge Krijger voor een scholingsadvies.
Alleen als de jongere na de 4 weken wachttijd een aanvraag voor bijstand indient, en zich voldoende heeft ingespannen om werk te vinden alsook aan kan tonen dat het regulier onderwijs geen mogelijkheden meer biedt, bestaat recht op algemene bijstand.
Dit geldt ook als de jongere wél een geschikte opleiding heeft gevonden, maar nog niet direct kan instromen. Tot het moment dat hij met de opleiding kan beginnen, bestaat dan toch recht op algemene bijstand. Jongeren die een WW-uitkering ontvangen, hebben eveneens een wettelijke wachttijd van 4 weken, maar mogen zich al vanaf 4 weken voor het einde van de WW-uitkering melden voor bijstand. Hun 4 weken wachttijd valt hierdoor samen met de laatste 4 weken van hun WW-uitkering.
Zoekperiode van 4 weken voor aanvragers van een uitkering vanaf 27 jaar
Ook voor mensen ouder dan 27 jaar geldt een zoekperiode1 van 4 weken, met het doel om aanwezige kansen op de arbeidsmarkt te benutten. Zij kunnen echter altijd, dus ook direct, of tijdens de zoekperiode, een aanvraag levensonderhoud of voorschot indienen. Er wordt sowieso afgezien van deze zoekperiode als duidelijk is dat een zoekperiode van 4 weken niet voldoende is om werk te kunnen vinden en/of er duidelijke aanwijzingen zijn dat problemen met een financiële component binnen de gebruikelijke afhandelingstermijn zullen escaleren.
 
Ongeacht de leeftijd van de aanvrager zal de gemeente uiterlijk binnen vier weken na de datum van de aanvraag een 'wettelijk' voorschot verlenen en daarmee doorgaan zolang het recht op bijstand niet is vastgesteld. Dat wettelijk voorschot hoeft alleen niet te worden verstrekt wanneer bij de aanvraag al duidelijk is dat geen recht op bijstand bestaat of wanneer, kort gezegd, niet alle benodigde informatie door de aanvrager is verstrekt en hem dit te verwijten valt. Het voorschot bedraagt ten minste 90% van de geldende bijstandsnorm.
’s Rijks kas bekostigd onderwijs
Van jongeren wordt verwacht dat ze de mogelijkheden binnen het reguliere onderwijs zoveel mogelijk benutten, om daar mee hun kansen op de arbeidsmarkt arbeid te vergroten. Onder ’s rijks kas bekostigd onderwijs worden in ieder geval alle opleidingen in het regulier middelbaar-, en beroepsonderwijs geschaard. Het is aan het college om te bepalen wanneer een jongere geacht wordt ‘zijn mogelijkheden binnen het reguliere onderwijs zoveel mogelijk te hebben benut’.
 
Het college heeft zich hierbij op het volgende standpunt gesteld:

1. Indien de jongere nog geen startkwalificatie heeft, zijn de mogelijkheden tot het volgen van regulier onderwijs nog niet voldoende benut;
2. Een startkwalificatie is een diploma op HAVO-, VWO- of MBO2-niveau;
3. Indien de arbeidsmarktmogelijkheden, ondanks het hebben van een startkwalificatie, door bijvoorbeeld de studierichting, onvoldoende zijn, en de arbeidsmogelijkheden middels het volgen van een nieuwe studie worden vergroot, dan wordt gesteld dat nog niet alle mogelijkheden tot het volgen van regulier onderwijs voldoende zijn benut.

Ad. 3:

Op studieperspectief.nl kun je per studie (en per regio) zien hoe het perspectief op werk is.
Om jongeren te helpen om de juiste opleiding te kiezen, kun je ze verwijzen naar De Jonge Krijger, het ROC of naar de website studiekeuze123.nl.
 
Is beoordeeld dat de jongere nog mogelijkheden binnen het regulier bekostigd onderwijs heeft, dan zijn er verschillende mogelijkheden:
Wel recht op Studiefinanciering
Studiefinanciering wordt als een passende en toereikende voorliggende voorziening beschouwd, op grond waarvan er geen reden bestaat tot het verstrekken van algemene bijstand.
Studiefinanciering bestaat uit een basisbeurs, een basislening, een aanvullende beurs of aanvullende lening, en een studentenreisproduct.
Voor studenten in het hoger onderwijs, bestaat er bovendien recht op een collegegeldkrediet.
Als de jongere geen aanspraak meer kan maken op een basisbeurs en een aanvullende beurs, maar wel nog gebruik kan maken van een studielening, dan kan hij dus nog aanspraak maken op studiefinanciering zoals bedoeld in artikel 13 lid 2 sub c Participatiewet, en heeft hij daarmee geen recht op algemene bijstand.
Geen recht op Studiefinanciering
Heeft de jongere geen recht op studiefinanciering (maar bijvoorbeeld alleen op WTOS), dan zijn er weer twee mogelijkheden:
 

1. De jongere volgt het onderwijs nietAls de jongere nog zo’n door het Rijk gefinancierde opleiding kan volgen, zonder dat er dus recht op studiefinanciering bestaat, maar hij doet dit niet, dan bestaat er evenmin recht op algemene bijstand. Denk hierbij aan de mogelijkheid tot het volgen van een Beroeps Begeleidende Leerweg-opleiding (BBL), waarvoor immers geen recht op studiefinanciering bestaat, of het volgen van voortgezet onderwijs, maar ondanks de mogelijkheid volgt de jongere de betreffende opleiding niet.
2. De jongere volgt het onderwijs welVolgt een jongere onderwijs en heeft hij, ondanks een eventuele WTOS-tegemoetkoming, onvoldoende bestaansmiddelen, dan kan hij eventueel toch in aanmerking komen voor algemene bijstand. Denk hierbij eveneens aan de situatie waarin het maximale recht op WSF (inclusief rentedragende lening) reeds is verbruikt. Het college bepaalt dan in het individuele geval uiteraard wel of de opleiding die wordt gevolgd noodzakelijk is, en of de opleiding niet in de weg staat aan de re-integratiemogelijkheden van de jongere.

Wanneer ‘kan’ je ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgen?
De wetgever heeft niet toegelicht wat precies wordt bedoeld met het ‘kunnen volgen’ van ’s Rijks kas bekostigd onderwijs. Uit de uitspraken van verschillende rechtsorganen tot nu toe, kan afgeleid worden dat er bij de vraag of er ’s Rijks kas bekostigd onderwijs gevolgd ‘kan worden’, een aantal aspecten in ogenschouw genomen moeten worden:
 

1. Is er sprake van een ‘technisch’ kunnen volgen van ’s Rijks kas bekostigd onderwijs?Als een jongere wel onderwijs kan volgen, maar feitelijk nog niet kan instromen op het moment dat hij zich meldt voor bijstand, dan kan de bijstand niet worden geweigerd op grond van artikel 13 lid 2 sub c Participatiewet. De jongere heeft in dat geval recht op bijstand, tot het moment dat hij feitelijk in kan stromen in de opleiding. De uitkering kan echter niet worden toegekend voor bepaalde tijd, tot het moment van de eerstvolgende instroomgelegenheid.Bij het eerstvolgende instroommoment dient beoordeeld te worden of de uitkering inderdaad beëindigd kan worden, omdat de jongere per die datum ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen.
2. Kan de verplichting tot het volgen van ’s Rijks kas bekostigd onderwijs in redelijkheid van de jongere worden gevergd?Het college is van mening dat in de volgende gevallen niet in redelijkheid van de jongere gevergd kan worden dat hij ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt:
a) De jongere kan aantonen dat hij niet de capaciteiten heeft om een opleiding (op hoger niveau) met goed resultaat te kunnen afronden (bijvoorbeeld middels een negatief bindend studieadvies of een verklaring van een functionaris van het Regionaal Meld- en Coördinatiepunt Voortijdig Schoolverlaters)
b) De jongere zit in de WSNP en kan aantonen dat hij geen toestemming van de bewindvoerder krijgt om een opleiding te volgen, waarmee hij afhankelijk zou zijn van studiefinanciering. In zo’n geval is het niet redelijk om te eisen dat de jongere een rijks kas bekostigde opleiding gaat volgen. Wel dient in zo’n geval te worden onderzocht of er mogelijkheden tot het volgen van een BBL-opleiding zijn. Aan een BBL-opleiding is immers geen studiefinanciering verbonden, waardoor er dus ook geen nieuwe schulden worden opgebouwd.
c) De jongere volgt een (deeltijd)dagbehandeling, waardoor hij niet volledig beschikbaar is voor het volgen van een voltijd-opleiding;
d) De jongere heeft fysieke en/of geestelijke beperkingen, waardoor hij (op dit moment) niet belastbaar is voor het volgen van een voltijd-opleiding;
e) De jongere heeft reeds een opleiding afgerond, waarbij hij minimaal een startkwalificatie heeft behaald, en het volgen van een nieuwe opleiding zou de arbeidsmarktmogelijkheden niet aanzienlijk vergroten.

Ad e;

Bij het opleggen van de scholingsverplichting aan een jongere met een startkwalificatie, moet gekeken worden naar de kansen op de arbeidsmarkt, die de jongere heeft met zijn reeds behaalde kwalificatie. Mocht blijken dat de jongere met zijn huidige kwalificatie nog onvoldoende mogelijkheden heeft om aan het werk te geraken, dan laat het bezit van de startkwalificatie onverlet dat van de jongere nog redelijkerwijs gevergd kan worden dat hij een uit ’s Rijks kas bekostigde vervolgopleiding volgt, die een toegevoegde waarde levert aan de kansen op de arbeidsmarkt.
 

Voorbeeld:

Een jongere met een Havo-diploma beschikt over een startkwalificatie. Het is echter aannemelijk dat zijn kansen op de arbeidsmarkt worden vergroot door het volgen van een MBO- of HBO-opleiding, waardoor het volgen van een dergelijke studie in beginsel van deze jongere kan worden verlangd.

VERMOGEN

BEGRIP VERMOGEN

Onder vermogen verstaat de Participatiewet:

a. De waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan b

Terug naar het vergunningen overzicht

Details van vergunning

  • BeschrijvingBeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz Onderdelen Inkomen, Vermogen, Boeten, Terugvordering&Verhaal, en Regeling Kinderopvang Barendrecht 2017
  • Soortverordeningen en reglementen (bekendmaking)
  • Gepubliceerd op24-08-2018
  • Start24-08-2018
  • Eindn.v.t
  • Gewijzigd op24-08-2018
  • Straatnaam
  • Postcode

- Advertentie (?) -