Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2026
24-12-2025
Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2026
De raad van de gemeente Barendrecht; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders 27 oktober 2025; gelet op het advies van de commissie Planning en Control van 24 november 2025;
b
e s l u i
t :
vast te stellen de volgende
VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN AFVALSTOFFENHEFFING EN REINIGINGSRECHTEN 2026
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Artikel 1 Inleidende bepaling
Krachtens deze verordening worden geheven:
a. een afvalstoffenheffing;
b. reinigingsrechten.
Artikel 2 Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a. “gebruik maken” in hoofdstuk II afvalstoffenheffing:gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet Milieubeheer;
b. bedrijfsafval: afvalstoffen afkomstig van kleine bedrijven en instellingen.
Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing
Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit
1. Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 4 Voorwerp van de belasting
1. Voorwerp van de belasting is een perceel.2. Als perceel wordt aangemerkt:
a. de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;
b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5 Belastingplicht
De belasting wordt geheven van degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.
Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief
De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1.1 en hoofdstuk 1.2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Artikel 7 Belastingtijdvak
Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8 Wijze van heffing
1. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag.2. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel een schriftelijke gedagtekende kennisgeving. Het gevorderd bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing van de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt.5. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening.
Artikel 10 Termijnen van betalen
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag worden betaald uiterlijk drie maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.3. De belasting moet worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 8, tweede lid:
a. mondeling wordt gedaan, op het moment van doen van de kennisgeving;
b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen twee weken na dagtekening van de kennisgeving.
4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
Hoofdstuk III Reinigingsrechten
Artikel 11 Belastbaar feit
Onder de naam “reinigingsrechten” worden rechten geheven zowel voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn. Hieronder valt tevens het aanvaarden van bedrijfsafval van in aard, omvang en hoeveelheid gelijk zijnde aan een meerpersoonshuishouden.
Artikel 12 Voorwerp van de belasting
1. Voorwerp van de belasting is een perceel.2. Als perceel wordt aangemerkt:
a. de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;
b. de roerende zaak, welke duurzaam een aan plaats gebonden is;
c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 13 Belastingplicht
De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.
Artikel 14 Maatstaf van heffing en belastingtarief
1. De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.2. Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.3. De tarieven, genoemd in dit hoofdstuk van de tarieventabel zijn exclusief BTW.
Artikel 15 Belastingtijdvak
Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 16 Wijze van heffing
De rechten bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel worden geheven bij wege van aanslag.
Artikel 17 Ontstaan van de belastingschuld en de heffing naar tijdsgelang voor de jaarlijks verschuldigde rechten
1. De rechten bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.2. Indien de belastingplicht voor de rechten bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel in de loop van het belastingjaar aanvangt, zijn de rechten verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.3. Indien de belastingplicht voor de rechten bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.
Artikel 18 Termijnen van betalen
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag worden betaald uiterlijk drie maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
Hoofdstuk IV Aanvullende bepalingen
Artikel 19 Inwerkingtreding en citeertitel
1. De “Verordening reinigingsheffingen 2025” vastgesteld bij raadsbesluit van 17 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.4. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening reinigingsheffingen 2026”.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Barendrecht van 16 december 2025, de griffier, C.M. Krouwel de voorzitter, drs. R.E. Schneider
Tarieventabel Reinigingsheffingen 2026 behorende bij de VERORDENING REINIGINGSHEFFINGEN 2026
Hoofdstuk 1.1 Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing
1.1.1
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar voor een éénpersoonshuishouden
€ 291,12
1.1.2.
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar voor een tweepersoonshuishouden
€ 455,04
1.1.3.
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar voor een huishouden met meer dan twee personen
€ 532,44
1.1.4.
Het aantal personen dat gebruik maakt van het perceel wordt bepaald naar de situatie per 1 januari van het belastingjaar dan wel op het moment van het ontstaan van de belastingplicht.
Hoofdstuk 1.2 Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing
1.2
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de belasting:
1.2.1
Voor het op aanvraag inzamelen van grof huishoudelijk afval (met uitzondering van chemisch afval en asbest), per aanvraag (max. 3 m³ per keer)
€ 20,00
1.2.1.1
Eenmalige kwijtschelding wordt verleend voor het inzamelen van grof huishoudelijk afval na overlijden.
1.2.2
Voor het op aanvraag inzamelen van grof tuinafval, per aanvraag (max. 3 m³ per keer)
€ 0,00
1.2.3
Indien kwijtschelding van gemeentelijke belasting is verleend, wordt restitutie voor het inzamelen van grof huishoudelijk afval verleend voor maximaal € 40,- (2 keer € 20).
1.2.4
Voor het verstrekken van een eerste minicontainer voor papier en karton of GFT (bij een eerste aanvraag)
€ 0,00
1.2.5
Voor het verstrekken van een minicontainer, per aanvraag, met een max per huishouden van 2 extra minicontainers voor GFT. Het is niet mogelijk om een extra minicontainer voor papier en karton aan te vragen.
€ 75,00
1.2.6
Voor het op aanvraag inleveren van een minicontainer of het omwisselen van een minicontainer
€ 75,00
1.2.7
Voor het verstrekken van een (nieuwe) afvalpas
€ 20,00
1.2.8
Voor het op aanvraag van inwoner kostbaarheden uit de ondergrondse container halen
€ 75,00
Hoofdstuk 2 Maatstaven en jaarlijkse tarieven reinigingsrechten
2.1.
Het recht als bedoeld in artikel 11 voor het al dan niet periodiek aanbieden van restafval en grondstoffen in de daarvoor bestemde voorzieningen en gebruik van het afvalaanbiedstation voor bedrijfsafval dat naar aard, omvang en samenstelling overeenkomt met huishoudelijk afval van een meerpersoonshuishouden:
- PMD+restafval: max. 104 klepbewegingen op de verzamelcontainers of 26 aanbiedingen van de (max. 1) minicontainer;
- papier en karton: max. 48 klepbewegingen op de verzamelcontainers of 12 aanbiedingen van de (max. 1) minicontainer;
- GFT: max. 312 klepbewegingen op de cocon of 78 aanbiedingen van de (max. 3) minicontainer(s);
- afvalaanbiedstation: max. 12 bezoeken per jaar;
mits de inzamelmiddelen op eigen terrein gestald kunnen worden, bedraagt per jaar:
€ 532,44
(Exclusief BTW)
Behoort bij het raadsbesluit van 16 december 2025. de griffier, C.M. Krouwel de voorzitter, drs. R.E. Schneider
Terug naar het vergunningen overzicht
Details van vergunning
- BeschrijvingVerordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2026
- Soortofficielepublicaties (Financiën | Organisatie e)
- Gepubliceerd op24-12-2025
- Start24-12-2025
- StraatnaamReinigingsrecht
- Postcode