Delen

- Advertentie (?) -

Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Barendrecht 2026

08-12-2025

Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Barendrecht 2026

De raad van de gemeente Barendrecht gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 oktober 2025 , gelet op artikel 108, tweede lid, Gemeentewet, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; besluit vast te stellen de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Barendrecht 2026.

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a.
Algemeen gebruikelijke voorziening : een voorziening die:
○ niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;
○ daadwerkelijk beschikbaar is;
○ een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en;
○ financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau op grond van algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen.

b.
Algemene voorzieningen : een laagdrempelige, voorliggend aanbod van diensten of activiteiten die zonder uitgebreide toegangstoets beschikbaar is voor inwoners. Dit is bedoeld om hen te ondersteunen in het zelfstandig functioneren en participeren in de samenleving. Algemene voorzieningen zijn niet op maat gemaakt voor een individuele situatie, maar voor een bredere groep inwoners toegankelijk, vaak zonder indicatie of beschikking. Denk aan een maaltijdvoorziening, boodschappendienst en vrijwilligershulp.
c.
Beleidsregels : de op overheid.nl gepubliceerde Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht;
d.
Besluit : een officiële beslissing volgens de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) waarin staat of een inwoner wel of geen recht heeft op een maatwerkvoorziening;
e.
(Eigen) Bijdrage : een financiële bijdrage in de kosten als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;
f.
Gebruiksduur : zolang de voorziening in gebruik is en/of als er sprake is van service- en onderhoudskosten;
g.
Gesprek : gesprek dat hoort bij het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;
h.
Hoofdverblijf : de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt het grootste deel van de tijd zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en feitelijk verblijft;
i.
Inwoner : de cliënt die het hoofdverblijf heeft in de Gemeente Barendrecht;
j.
Intramuraal : Wonen in een verblijfsetting met 24-uurs zorg en hulp die altijd binnen 2 minuten beschikbaar is;
k.
Kostprijs : de totale waarde van een voorziening in euro’s inclusief BTW en extra kosten zoals onderhoud en bijzondere aanpassingen;
l.
Leefeenheid : een groep mensen die samen een huishouden vormen;
m.
Maatwerkvoorziening : Een voorziening die door het college wordt gegeven in de vorm van zorg in natura of als persoonsgebonden budget (Pgb), om hulp te bieden bij een ondersteuningsvraag zoals genoemd in artikel 1.1.1 van de wet;
n.
Melding : kenbaar maken van de hulpvraag aan het college zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015;
o.
Onderzoeksrapport : Schriftelijke verslag van de uitkomsten van het onderzoek. Hierin staat welke problemen de cliënt heeft met zelfredzaamheid en participatie en hoe deze kunnen worden opgelost;
p.
Pgb : persoonsgebonden budget als financieringsvorm voor een maatwerkvoorziening zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;
q.
Participatie : het meedoen aan de samenleving zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;
r.
Persoonlijk plan : een plan waarin de cliënt de situatie beschrijft, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 5 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet, en uitlegt welke ondersteuning het beste is;
s.
Semimuraal : Wonen in een verblijfsetting met 24-uurs aanwezigheid van hulp, die binnen 10 minuten beschikbaar is;
t.
Voorliggende voorziening : een voorziening op grond van een andere wetgeving;
u.
Wet : Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);
v.
Woning : Een woonruimte die geschikt is om permanent in te wonen. De woning heeft een eigen ingang en eigen voorzieningen zoals woon- en slaapkamer, keuken, douche en toilet. Ook een woonschip of woonwagen worden gezien als woning, als deze bedoeld zijn voor permanente bewoning;
w.
Zelfredzaamheid : het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet.
2. Als in deze verordening of in bijbehorende regels en beleidsregels bepaalde begrippen niet apart worden uitgelegd, dan gelden de definities uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Hoofdstuk 2. Melding, onderzoek en aanvraag
Artikel 2. Melding
1. Een melding kan schriftelijk, digitaal, of telefonisch door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. Het college stuurt een schriftelijke bevestiging van de melding en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 3. In spoedeisende situaties als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet zorgt het college na de melding direct voor een tijdelijke maatwerkvoorziening. Dit gebeurt terwijl het onderzoek, zoals bedoeld bij artikel 6, nog loopt.

Artikel 3. Cliëntondersteuning
1. Het college zorgt ervoor dat gratis cliëntondersteuning beschikbaar is. 2. Het college informeert de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek over de mogelijkheid om gratis cliëntondersteuning te gebruiken.

Artikel 4. Persoonlijk plan
Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen, zoals beschreven in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet. Het college geeft de cliënt zeven dagen na de melding de tijd om het plan in te leveren. Als de cliënt een persoonlijk plan heeft ingeleverd, neemt het college dit plan mee in het onderzoek, zoals beschreven in artikel 6 van deze verordening. Het opstellen van een persoonlijk plan kan de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten versterken.

Artikel 5. Informatie en identificatie
1. Voor of tijdens het gesprek moet de cliënt het college alle overige gegevens en documenten geven die het college nodig vindt voor het onderzoek en die de cliënt redelijkerwijs kan verkrijgen. 2. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, wordt de identiteit aan de hand van een geldig identiteitsbewijs vastgesteld.

Artikel 6. Onderzoek
1. Het college verzamelt alle gegeven die nodig zijn voor het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet, over de cliënt en de situatie. 2. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek, tenzij de hulpvraag al duidelijk is. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt of zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie. 3. De volgende factoren, ook genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wet, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in lid 1 en 2:
a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;
b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;
c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen de zelfredzaamheid of de participatie te behouden of te verbeteren, of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociale netwerk te komen tot verbetering van de zelfredzaamheid of de participatie, of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang;
e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
f. de mogelijkheden om door middel van algemene voorzieningen of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van de zelfredzaamheid of de participatie;
g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening. Dit met het oog op de behoefte aan verbetering van de zelfredzaamheid of de participatie of aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang;
h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;
i. welke bijdragen in de kosten de cliënt moet betalen volgens de regels van artikel 2.1.4 of 2.1.4.a van de Wet, en
j. de mogelijkheid om een persoonsgebonden budget (pgb) te krijgen, waarbij de cliënt duidelijk wordt geïnformeerd over de gevolgen van deze keuze.
3. Het college informeert de cliënt over het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 4. Als de cliënt al bekend is bij de gemeente, kan in overleg met de cliënt besloten worden om het onderzoek zoals genoemd in lid 3 van dit artikel niet te doen. [Artikel 6 Onderzoek bevat een kennelijke verschrijving in de doornummering van de leden, hier wordt bedoeld: na lid 3 volgen de leden 4 en 5]

Artikel 7. Onderzoeksrapport
1. Het college geeft de cliënt of diens vertegenwoordiger een schriftelijke verslag van de uitkomsten van het onderzoek.2. De cliënt tekent het onderzoeksrapport voor gezien of akkoord De cliënt zorgt ervoor dat een getekend exemplaar, zo snel als mogelijk binnen 10 werkdagen, wordt teruggestuurd aan de contactpersoon met wie het gesprek is gevoerd. 3. Als de cliënt tekent voor gezien, kan de cliënt daarbij ook uitleggen wat de reden is waarom deze niet akkoord is. 4. Als de cliënt vindt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, kan de cliënt dit aangeven op het ondertekende verslag.

Artikel 8. Advisering
1. Het college mag, voor zover dit is voor het onderzoek, de persoon die een melding of aanvraag heeft ingediend of, bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:
a. Oproepen om in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen.
b. Op een door het college vastgestelde plaats en tijd door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken.
2. Het college kan een door haar daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien:
a. Het gaat om een melding of aanvraag van iemand die nog geen voorziening heeft ontvangen, of met wie nog geen gesprek is gevoerd zoals bedoeld in artikel 6.
b. Het gaat om een melding of aanvraag van iemand die eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek heeft gehad zoals bedoeld in artikel 6, maar waarvan de medische situatie zo veranderd is dat deze verandering invloed heeft op de noodzaak of het type voorziening.
c. Of in een andere situatie waarin het college het nodig vindt om advies in te winnen.

Artikel 9. Aanvraag
1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken na de ontvangst van de melding is uitgevoerd. 2. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 3. Een aanvraag wordt ingediend met een ondertekend onderzoeksrapport of een ingevuld aanvraagformulier. 4. Het college gebruikt het onderzoeksrapport mede als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. 5. Bij een aanvraag voor financiering via een persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening, moet de cliënt een budgetplan overleggen.6. Bij een aanvraag voor een persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing, moet de cliënt minimaal 2 offertes overleggen.

Hoofdstuk 3. Maatwerkvoorziening
Artikel 10. Maatwerkvoorzieningen
De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

1. Hulp bij het huishouden
2. Ambulante begeleiding
3. Dagbesteding (evt. vervoer naar dagbesteding)
4. Kortdurend verblijf
5. Beschermd wonen
6. Maatschappelijke Opvang
7. Woonvoorzieningen
8. Vervoersvoorzieningen
9. Rolstoelen

Artikel 11. Criteria voor maatwerkvoorziening
1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening als er belemmeringen zijn in zelfredzaamheid of participatie en er noodzaak is tot compenseren door gebruik te maken van:
a. eigen kracht en/of
b. gebruikelijke hulp en/of
c. mantelzorg en/of
d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of
e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of
f. algemene voorzieningen en/of
g. andere voorzieningen, bijvoorbeeld op grond van de Wlz of de Zvw.
2. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequaat compenserende voorziening. 3. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze veilig is voor hemzelf en zijn omgeving, geen gezondheidsrisico’s geeft en revalidatie niet tegenwerkt. 4. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als de cliënt in staat is om de zorgverlener een voldoende veilig werkklimaat te bieden.

Artikel 12. Aanvullende criteria hulp bij het huishouden
1. De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden heeft als doel het realiseren van een schoon en leefbaar huis:
a. Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen;
b. Schoon betekent: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen;
c. Leefbaar staat voor: opgeruimd, veilig en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
2. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen aantoonbaar onvoldoende ondersteund worden met een schoon en leefbaar huis, kunnen aanvullende doelstellingen gesteld worden. Dit betreft de volgende doelstellingen:
a. Wasverzorging: het kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;
b. Boodschappen- en/of maaltijdenverzorging: zorgen voor eten en drinken;
c. Kindzorg: zorgen voor kinderen die thuis wonen en zorg nodig hebben;
d. Advies, instructie en voorlichting.
3. De cliënt moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapkamers die in gebruik zijn voor het leven van alledag, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. 4. Voor het bepalen van de hulp die nodig is om een schoon en leefbaar huis te krijgen, wordt gebruik gemaakt van het meest recente HHM-normenkader.5. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van hulp bij het huishouden.

Artikel 13. Aanvullende criteria voor begeleiding, OGGZ en (vervoer naar) dagbesteding
1. Het college biedt vanuit de Wmo de volgende vormen van ondersteuning:
a. Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ): bemoeizorg, met als doel het toeleiden naar ondersteuning (of behandeling) van bewoners die niet (in staat zijn om) uit eigen beweging ondersteuning te vragen waar dit medisch- en/of maatschappelijk gezien wel nodig is.
b. Ambulante begeleiding met als doel het behouden of verbeteren van de zelfredzaamheid en/of participatie. Of het begeleiden van de cliënt bij het afnemen van de zelfredzaamheid en/of participatie.
c. Dagbesteding met als doel mantelzorgers te ontlasten en om dagen zinvol in te vullen.
2. Passende dagbesteding wordt geboden bij de dichtstbijzijnde passende locatie.3. De cliënt moet zelf zorgen voor vervoer naar de dagbesteding. Bijvoorbeeld via eigen vervoer, openbaar vervoer, netwerk of vrijwilligers. Als dit echt niet lukt en de cliënt kan aantonen om op eigen gelegenheid de dagbestedingslocatie niet te kunnen bereiken, kan de cliënt in aanmerking komen voor vervoer naar de dichtstbijzijnde passende dagbestedingslocatie.

Artikel 14. Aanvullende criteria kortdurend verblijf
1. Voor Kortdurend Verblijf vanuit de Wmo gelden de algemene criteria genoemd in artikel 11 en de volgende voorwaarden:
a. de cliënt heeft een psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke beperking, én;
b. de mantelzorger moet tijdelijk ontlast worden; of
c. om te voorkomen dat de situatie van de cliënt verslechtert of dat een crisisopname nodig is.

Artikel 15. Aanvullende criteria beschermd wonen (intramuraal en semi-muraal)
1. Het college verstrekt de maatwerkvoorziening beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Rotterdam, de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het geldende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels omtrent het persoonsgebonden budget in relatie tot beschermd wonen, de regels voor bijdrage in de kosten van beschermd wonen en de nadere regels van de centrumgemeente. 2. De indicatiestelling en verstrekking van beschermd wonen vindt plaats door de centrumgemeente Rotterdam.

Artikel 16. Aanvullende criteria semimurale ondersteuning
1. Onder semimurale ondersteuning wordt verstaan ondersteuning in de nabijheid van de cliënt die wordt geboden in een semimurale voorziening, waarbij in ieder geval de resultaatgebieden sociaal persoonlijk functioneren en ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid worden verstrekt.2. Een cliënt kan in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening semimurale ondersteuning wanneer noodzaak bestaat tot een grote mate van nabijheid van de ondersteuning van de cliënt tussen zeven uur s’ ochtends en elf uur s’ avonds.3. Semimurale ondersteuning wordt verstrekt met een passende vorm van nachtelijke ondersteuning.

Artikel 17. Aanvullende criteria intramurale ondersteuning
1. Onder intramurale ondersteuning wordt verstaan ondersteuning die in een intramurale accommodatie in de directe nabijheid van de cliënt wordt georganiseerd tussen zeven uur ‘s ochtends en elf uur ‘s avonds en in elk geval sociaal persoonlijk functioneren en ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid bevat.2. Een cliënt kan in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening intramurale ondersteuning wanneer er een noodzaak bestaat tot grote mate van nabijheid van de ondersteuning alsmede een grote mate van zicht en toezicht op de cliënt.3. Intramurale ondersteuning wordt in combinatie met verblijf verstrekt.4. Intramurale ondersteuning wordt verstrekt met een passende vorm van nachtelijke ondersteuning.

Artikel 18. Aanvullende criteria resultaatgebied nachtelijke ondersteuning
1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor nachtelijke ondersteuning, indien professioneel toezicht noodzakelijk is om gestructureerd of veilig te kunnen wonen, samenhangend met diens sociaal en persoonlijk functioneren en met diens zelfzorg.2. Het nachtelijk toezicht vindt plaats tussen elf uur s’ avonds en zeven uur s ’ochtends en is gericht op:
a. het voorkomen of de-escaleren van ongewenste situaties gedurende de nacht;
b. het ondersteunen bij het hanteren van een gezond dag-nachtritme;
c. het ingrijpen wanneer de cliënt te veel onder invloed staat van anderen waar dit een risico van achteruitgang met zich meebrengt; of
d. de veiligheid en de leefbaarheid in en om de locatie waar de cliënt woont.
3. Nachtelijke ondersteuning wordt geboden in de vorm van een ambulante wacht, een slaapwacht of wakende ondersteuning waarbij geldt dat:
a. intramurale ondersteuning wordt verstrekt in combinatie met een slaapwacht of wakende ondersteuning;
b. semimurale ondersteuning wordt geboden in combinatie met een ambulante wacht of een slaapwacht, en
c. extramurale ondersteuning kan worden geboden in combinatie met een ambulante wacht.

Artikel 19. Aanvullende criteria resultaatgebied verblijf
1. Onder het resultaatgebied verblijf wordt verstaan het verstrekken van onzelfstandige woonruimte met hotelmatige voorzieningen in een accommodatie van de zorgaanbieder waarvoor geen huur is verschuldigd.2. Het college beoordeelt in het kader van de landelijke toegankelijkheid voor de cliëntgroep (O)GGZ in hoeverre de gemeente Rotterdam de meest aangewezen centrumgemeente is om het intramurale verblijf te verlenen.3. Het resultaatgebied verblijf is uitsluitend van toepassing wanneer er sprake is van een indicatie voor intramurale ondersteuning.4. Het resultaatgebied verblijf wordt niet verstrekt in combinatie met huishoudelijke ondersteuning, sociaal-persoonlijk functioneren, zelfzorg en gezondheid, semimurale ondersteuning of mantelzorgondersteuning met verblijf.6. Het resultaatgebied verblijf heeft tevens betrekking op de bij cliënt verblijvende kinderen. [Artikel 19 Aanvullende criteria resultaatgebied verblijf bevat een kennelijke verschrijving in de doornummering van de leden, hier wordt bedoeld: lid 6 moet lid 5 zijn]

Artikel 20. Aanvullende criteria maatschappelijke opvang
1. Het recht op maatschappelijke opvang wordt namens het college vastgesteld door Centraal Onthaal van de Centrumgemeente Rotterdam.2. Een inwoner van Nederland komt in aanmerking voor maatschappelijke opvang wanneer deze dakloos is, dan wel de thuissituatie heeft verlaten en voor zover de cliënt niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen te handhaven in de samenleving en zijn problemen te verminderen.3. De maatschappelijke opvang bestaat uit onderdak en basis op orde begeleiding.4. De verblijfsduur in de maatschappelijke opvang bedraagt maximaal drie maanden.5. In afwijking van het vierde lid is verlenging van de verblijfsduur mogelijk wanneer uitstroom nog niet mogelijk is.

Artikel 21. Vormen van maatschappelijke opvang
1. Maatschappelijke opvang wordt geboden in de vorm van:
a. nachtopvang voor volwassenen vanaf 23 jaar;
b. gezinsopvang gedurende het gehele etmaal voor een of twee volwassen ouders dan wel verzorgers van 23 jaar en ouder, met één of meerdere inwonende minderjarige kinderen;
c. nachtopvang voor jongeren tussen de 17,5 en 23 jaar oud.
2. Aanvullend op de nachtopvang kan voor jongeren en volwassenen worden voorzien in dagopvang alsmede dag-openstelling als onderdeel van de maatschappelijke opvang.

Artikel 22. Landelijke toegankelijkheid
1. Op een aanvraag voor opvang als bedoeld in artikel 20 of voor het resultaatgebied verblijf bedoeld in artikel 19 wordt de landelijke toegankelijkheid betrokken in het onderzoek.2. In het onderzoek ten behoeve van de aanvraag wordt onderzocht in welke gemeente de cliënt de grootste kans van slagen heeft op duurzaam herstel.3. Indien wordt vastgesteld dat de cliënt, voor het ontstaan van dakloosheid, woonachtig was in een gemeente in een andere regio, kan de uitvoering van het onderzoek worden overgedragen aan deze gemeente.

Artikel 23. Aanvullende criteria woonvoorzieningen en woningaanpassingen
1. Een woonvoorziening is gericht op een cliënt die:
a. aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van de woning, en bewezen heeft niet in aanmerking te komen voor een passende woning, of
b. een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis heeft met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen.
2. Een cliënt komt in aanmerking voor een uitraaskamer als er sprake is van aantoonbare ernstige beperkingen in het gedrag als gevolg van een ziekte of gebrek, waarbij is aangetoond dat enkel het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin cliënt tot rust kan komen. 3. Een cliënt kan alleen voor een woonruimteaanpassing in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en verhuizing niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is. Wanneer de kosten voor de woonaanpassing of woonvoorziening hoger zijn dan 7500,- euro geldt het primaat van verhuizen.4. Een cliënt kan alleen voor woonvoorzieningen in aanmerking komen als deze rechtmatig een woonruimte bewoont, geen tijdelijke huurovereenkomst heeft en de ondervonden beperkingen in de woonruimte niet voortvloeien uit de aard van de in de woonruimte gebruikte materialen of uit de slechte staat van onderhoud van de woonruimte. 5. Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt als de cliënt zijn verblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen, dan wel voor het bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan waar de cliënt met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft, als het hoofdverblijf van de cliënt een erkende instelling is. Indien cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt, kan het college een maatwerkvoorziening verlenen voor het bezoekbaar maken van die woning. 6. Een individuele woonvoorziening wordt geweigerd indien ten tijde van het betrekken van de woonruimte door de persoon met beperkingen te voorzien was dat in deze woonruimte beperkingen bij het normale gebruik van de woonruimte zouden worden ondervonden. 7. Het college verstrekt voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft en geen doelgroepengebouw: automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting.8. Het college verleent slechts een woningaanpassing van een woonwagen of woonschip als:
a. de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip nog minstens 5 jaar is;
b. de standplaats van de woonwagen niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt;
c. het woonschip nog minimaal 5 jaar op de ligplaats mag blijven liggen;
d. de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond;
e. de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet.

Artikel 24. Aanvullende criteria vervoersvoorzieningen
1. Vervoersvoorzieningen kunnen als verstrekking worden ingezet om de volgende resultaten te bereiken:
a. Het zelfstandig lokaal verplaatsen per vervoermiddel.
b. Het kunnen ontmoeten van mensen en het op basis daarvan aangaan van sociale relaties.
2. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving binnen een straal van 25 kilometer of enkele strategische, regionale punten (bijv (bus/metro)station). 3. Bij vervoersvoorzieningen geldt het primaat1 van het collectief vervoer of het gebruik maken van een deelscootmobiel via de scootmobielpool. 4. Op het collectief vervoer zijn de volgende criteria van toepassing:
a. De voorziening collectief vervoer wordt alleen verstrekt in natura in de vorm van een taxipas, een pgb is hiervoor niet mogelijk.
b. De taxipas geeft de cliënt de mogelijkheid om maximaal 2000 km per jaar gebruik te kunnen maken van de regiotaxi voor regulier vervoer of rolstoeltaxivervoer.
c. Als de cliënt naast de taxipas voor collectief vervoer ook gebruik kan maken van een hulpmiddel of vervoersmiddel om korte tot middellange afstanden te overbruggen ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, wordt cliënt in staat gesteld om maximaal 1000 km te reizen met de taxipas.
d. Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld onder b en c van dit artikellid, niet volstaat dan kan cliënt in staat worden gesteld om meer kilometers met de taxipas te reizen.
e. De pashouder betaalt tarieven, die vergelijkbaar zijn met de tarieven van het openbaar vervoer per kilometer.
f. Uitgangspunt is dat 25 kilometer voldoende is voor lokale verplaatsingen.
g. Een cliënt maakt tenminste 1 maal in een aaneengesloten periode van 6 maanden gebruik van het collectief vervoer.
5. Een begeleiderspas bij een vervoersvoorziening wordt alleen toegekend als cliënt:
a. agressief gedrag vertoont;
b. dwaalgedrag vertoont;
c. afhankelijk is van medische handelingen tijdens de rit.
6. Voor verstrekking van een scootmobiel gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
a. de cliënt moet in staat zijn zelfstandig op en van de scootmobiel te stappen;
b. cliënt is in staat om –na instructie- op veilige wijze gebruik te maken van een scootmobiel en indien nodig na het afleggen van een rijvaardigheidstoets;
c. de cliënt heeft een substantiële vervoersbehoefte in de directe woonomgeving van de woning binnen de gemeente of woonkern;
d. de beperkingen zijn langdurig van aard en de vervoersbehoefte is vrijwel dagelijks;
e. er moet een brandveilige en afgesloten stallingsruimte, voorzien van een geaard stopcontact van 220 volt aanwezig zijn of gecreëerd kunnen worden.
7. Om in aanmerking te komen voor een handbike gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
a. cliënt is aangewezen op een rolstoel;
b. cliënt is niet in staat zich met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand (1500 meter) binnen redelijke tijd te verplaatsen;
c. cliënt heeft de voorziening nodig in verband met specifieke verplaatsingsbehoeften boven de 1500 meter, die niet anderszins kan worden opgelost;
d. er dient een substantiële toegevoegde waarde te zijn als de handbike als verplaatsingsvoorziening in en om de woning of voor grotere afstanden wordt verstrekt.
e. als andere hulpmiddelen voor verplaatsingen op middellange afstanden beschikbaar zijn, wordt geen handbike toegekend.

Artikel 25. Aanvullende criteria rolstoelen
1. Voor verstrekking van een rolstoelvoorziening geldt dat voor een eenvoudige transportrolstoel gebruik gemaakt kan worden van een deelrolstoel via een rolstoelpool indien aanwezig.2. Cliënt komt in aanmerking voor een rolstoel als deze langdurig aangewezen is op zittend verplaatsen. 3. Om in aanmerking te komen voor een elektrische rolstoel moet cliënt voldoen aan alle volgende criteria:
a. cliënt heeft medisch aantoonbare beperkingen die dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en waarvoor loophulpmiddelen, die zelf gekocht kunnen worden of via de zorgverzekeringswet verstrekt worden niet volstaan;
b. cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 100 meter verplaatsen;
c. cliënt kan veilig deelnemen aan het verkeer;
d. de woning van de cliënt is rolstoeldoor- en toegankelijk of kan door middel van (voorliggende) (woon)voorzieningen geschikt gemaakt worden.

Artikel 26. Aanvullende criteria sportvoorzieningen
1. Cliënt komt in aanmerking voor een sportvoorziening als is voldaan aan de volgende criteria:
a. cliënt maakt ook in het dagelijks leven gebruik van een loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel;
b. cliënt is zonder sportvoorziening niet in staat tot sportbeoefening;
c. beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk;
d. cliënt is lid van een sportvereniging;
e. cliënt kan aantonen dat financiering van het hulpmiddel niet vanuit andere voorzieningen of fondsen mogelijk is.

Artikel 27. Weigeringsgronden
1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
a. als er voor het probleem in deze situatie al een voorziening is op basis van een andere wettelijke regeling;
b. als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd en het achteraf niet meer is na te gaan of de voorziening aantoonbaar noodzakelijk was. Tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;
c. als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;
d. als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de gebruiksduur naar het oordeel van de leverancier is beëindigd;
● tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of;
● tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of;
● als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

e. als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase.
f. als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is;
g. als de cliënt door zijn of haar gedrag het verstrekken, onderhouden of verantwoorden van de voorziening onmogelijk maakt.
2. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt:
a. als deze niet langdurig noodzakelijk is, behoudens hulp bij het huishouden en een vervoerspas. Een uitzondering hierop is verder de kortdurende hulp aan de cliënt die leerbaar is. De voorziening is dan gericht op vermindering van de ondersteuningsbehoefte.
b. indien de cliënt niet feitelijk in de gemeente verblijft.
3. Geen woonvoorziening wordt verstrekt:
a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;
b. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning zoals hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;
c. voor individuele maatwerkvoorzieningen voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft in een ‘doelgroepengebouw’, te weten een gebouw dat bestemd is voor oudere inwoners of inwoners met een beperking.
d. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;
e. indien cliënt verhuisd is naar een woning waarvan op grond van de aanwezige beperkingen voorzienbaar was dat cliënt hierin beperkingen zou ondervinden;
f. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.
g. de cliënt verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden;
h. indien cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, tenzij er sprake is van co-ouderschap;
i. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden;
4. Geen tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting wordt verstrekt indien:
a. een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen;
b. een persoon met beperking verhuist naar een intra- of semimurale-instelling.
5. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening voor maatschappelijke participatie wordt uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving.

Artikel 28. Inhoud beschikking
1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. Verstrekking van een financiële tegemoetkoming is een vorm van zorg in natura.2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
a. welke de te verstrekken voorziening is en wat de beoogde doelstelling daarvan is;
b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is gebaseerd op passend beschikken;
c. hoe de voorziening wordt verstrekt;
d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;
e. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is.
3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
a. voor welk doel het pgb moet worden besteed;
b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb, waaronder de verplichting dat de zorgverlener een voor de verleende ondersteuning relevante Verklaring omtrent het gedrag (VOG) aanvraagt en desgevraagd kan tonen. Deze mag bij aanvang van de ondersteuning niet ouder zijn dan drie maanden;
c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is bepaald;
d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn zoals vastgelegd in het kwaliteitskader pgb (zie bijlage 1);
e. wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;
f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb;
g. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is

Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget (Pgb)
Artikel 29. Regels voor pgb
1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en zelf de ondersteuning wil inkopen door middel van een pgb, controleert het college of de voorwaarden uit artikel 2.3.6. lid 2 van de wet worden nageleefd. Ook wordt gekeken of het kwaliteitskader uit bijlage 1 wordt toegepast. De zorgaanbieder moet voldoen aan de checklist uit bijlage 2.2. Via een pgb-toets van PerSaldo bepaalt het college of de budgetbeheerder voldoet aan de gestelde budgetvaardigheden.3. De cliënt moet een budgetplan en een ondersteuningsplan inleveren. In het budgetplan staat in ieder geval:
a. hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de taken die bij een pgb horen, op een verantwoorde manier gaat uitvoeren (budgetbeheer);
b. wat de reden is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;
c. welke maatwerkvoorziening de cliënt met het pgb wil inkopen en bij welke uitvoerder;
d. de kosten van de maatwerkvoorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;
e. hoe cliënt de voorziening volgens een puntsgewijze begroting dan wel een gespecificeerde offerte wil betalen;
f. inzicht in de problematiek van de cliënt;
g. hoe lang en op welke manier de maatwerkvoorziening wordt ingezet.
In het ondersteuningsplan staat in ieder geval:
a. het resultaat van het te behalen doel van de inzet van de maatwerkvoorziening;
b. wanneer er geëvalueerd wordt tijdens de inzet van de maatwerkvoorziening;
c. hoe de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en of de voorziening geschikt is voor het doel van het pgb.
4. Het pgb mag niet worden gebruikt voor:
a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;
b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
d. kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering;
e. kosten voor bijkomende zorg, waaronder cursuskosten en entreegelden van de zorgverlener;
f. kosten voor overlijdensuitkering;
g. kosten voor reizen.
5. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. 6. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd vragen om betalingen uit het pgb voor maximaal dertien weken op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode onterecht zou gebruiken. 7. Cliënt moet een Verklaring omtrent gedrag (VOG) van de hulpverlener bij het budgetplan voegen. Zolang er ondersteuning wordt geboden, moet de VOG van de hulpverlener maximaal 2 jaar oud is. 8. De kwaliteit van de maatwerkvoorziening die met het pgb is ingekocht, voldoen aan de eisen die zijn gesteld in het kwaliteitskader pgb van bijlage 1. De zorgaanbieder moet voldoen aan de eisen zoals gesteld in de checklist van bijlage 2.9. Een pgb moet door de cliënt binnen zes maanden na toekenning worden gebruikt voor het doel waarvoor het is verstrekt (rechtmatig besteed zijn).10. Een pgb voor het gebruik van eigen auto, van een taxi of het gebruik van een rolstoeltaxi is alleen mogelijk als de cliënt medisch en/ of gedragsmatig niet in staat is gebruik te maken van het collectief vervoer met de regiotaxi. 11. Een pgb is niet mogelijk als de ondersteuning nodig is in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet. 12. Een pgb is niet mogelijk voor kosten in het buitenland, tenzij het college hiervoor expliciet toestemming geeft, op basis van regels die het college stelt. 13. Het college kan aanvullende regels opstellen over de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb.

Artikel 30. Onderscheid formele en informele hulp
1. Bij het bepalen van de hoogte van het pgb, wordt een onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Formele hulp is hulp die wordt gegeven door de volgende personen, behalve bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt:
a. personen die werken bij een instelling die ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die de juiste diploma’s hebben voor de taken die zij uitvoeren, of;
b. personen die Zelfstandige zonder personeel (Zzp) zijn. Die moeten ook ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en de juiste diploma’s hebben voor de taken die ze uitvoeren.
3. Informele hulp is:
a. Hulp die wordt gegeven door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de eisen zoals genoemd in lid 2;
b. Hulp die wordt gegeven door personen die voldoen aan de eisen zoals genoemd in lid 2, maar die bloed- of aanverwanten zijn in de 1e of 2e graad van de cliënt.

Artikel 31. Hoogte pgb
1. De hoogte van het pgb voor een voorziening wordt maximaal vastgesteld op:
a. Het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of;
b. Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft gesloten.
2. De hoogte van het pgb voor vervoer is gebaseerd op de voorziening voor collectief vervoer in natura. Het uitgangspunt is dat maximaal 2000 kilometer per jaar binnen de eigen woon- en leefomgeving gereisd kan worden. Als de cliënt gebruik kan maken van een hulpmiddel of vervoersvoorziening in de directe woon- en leefomgeving geldt een maximum van 1000 km. Als de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het standaard aantal kilometers niet volstaat dan kan een groter aantal kilometers worden verstrekt. 3. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen het tarief voor formele en informele hulp:
a. Het pgb voor formele hulpverleners, zoals bedoeld in artikel 30 lid 2, wordt gebaseerd op het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op 90% van het uurtarief van de goedkoopst compenserende voorziening in natura.
b. Het pgb voor informele hulp, zoals bedoeld in artikel 30 lid 3, wordt vastgesteld op het minimumloon inclusief 8% vakantietoeslag.
4. Voor regulier vervoer naar de dagbesteding wordt voor formeel vervoer door een taxibedrijf maximaal 90% toegekend van het tarief voor de gecontracteerde aanbieders. 5. Voor regulier vervoer regulier door informele hulp zoals familieleden, wordt een maximaal tarief van 90% van het gecontracteerde tarief gehanteerd. 6. Voor speciaal vervoer naar de dagbesteding wordt voor formeel vervoer door een taxibedrijf maximaal 90% toegekend van het tarief voor de gecontracteerde aanbieders. 7. Voor speciaal vervoer door informele hulp zoals familieleden, wordt een maximaal tarief van 90% van het gecontracteerde tarief gehanteerd. 8. Het toegekende pgb tarief blijft gedurende de looptijd van de toekenning van het pgb hetzelfde.9. De betaling vindt per maand plaats door middel van een factuur met de daadwerkelijk geleverde uren zorg. Er mag geen vast maandloon uitbetaald worden.10. Het college kan aanvullende regels stellen over de hoogte van het pgb.

Artikel 32. Nadere verplichtingen budgethouder
1. De budgethouder is verplicht om de aangeschafte voorziening goed te (laten) onderhouden en voldoende te verzekeren gedurende de gebruiksduur. 2. De budgethouder moet een nota/factuur en een betalingsbewijs van de aangeschafte maatwerkvoorziening kunnen overleggen. 3. De budgethouder moet het college direct en uit eigen beweging op de hoogte stellen van alle feiten en omstandigheden waarvan de budgethouder redelijkerwijs moet weten dat zij invloed kunnen hebben op de toekenning van het pgb.

Hoofdstuk 5. Bijdrage in de kosten
Artikel 33. Eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budget en sommige algemene voorzieningen
1. Een cliënt betaalt een eigen bijdrage zolang de cliënt gebruik maakt van een maatwerkvoorziening of zolang de cliënt gebruik maakt van een maatwerkvoorziening vanuit een pgb. 2. Een cliënt betaalt een bijdrage in de kosten voor algemene voorziening zoals een wasservice of scootmobielpool, zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt.3. De hoogte van de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget wordt vastgesteld door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Deze eigen bijdrage is nooit hoger dan de kostprijs van de maatwerkvoorziening.4. In afwijking van het eerste lid hoeft de cliënt geen eigen bijdrage te betalen voor de volgende maatwerkvoorzieningen:
a. Rolstoelvoorzieningen, en;
b. Kindvoorzieningen.
5. De kostprijs van een voorziening wordt als volgt bepaald:
a. voor maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt de kostprijs bepaald door een aanbesteding. Of na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;
b. voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening;
c. voor een pgb is dit gelijk aan de hoogte van het toegekende pgb.

Artikel 34. Eigen bijdrage voor Collectief vervoer
1. In afwijking van artikel 33 derde lid betaalt de cliënt een aparte bijdrage voor het gebruik van collectief vervoer. Deze bijdrage bestaat uit een opstaptarief (vaste prijs per rit) en een bedrag per gereisde kilometer. 2. Voor ritten buiten de straal van 25 kilometer vanaf het woonadres geldt, in afwijking van het eerste lid, een hoger kilometer tarief.Tijdens de daluren, van 12.00 -15.00 uur, betaalt de cliënt een lager opstaptarief per rit. Dit in afwijking van het eerste lid.3. In afwijking van het eerste lid gelden tijdens de nacht, van 0.00 - 7.00 uur, hogere tarieven voor zowel het opstappen als per kilometer.4. In afwijking van het eerste lid geldt bij een overschrijding van het maximaal aantal toegestane kilometers een opslag op het opstaptarief.

Hoofdstuk 6. Kwaliteit en veiligheid
Artikel 35. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van de voorzieningen. Dit geldt ook voor de deskundigheid van de beroepskrachten. Ze doen dit door:
a. de voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt;
b. de voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg;
c. het inzetten van de juiste deskundigheid;
d. te zorgen dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden, in het kader van het leveren van voorzieningen, handelen in overeenstemming met de professionele standaard;
e. een verklaring omtrent het gedrag vragen voor beroepskrachten die direct contact hebben met cliënten;
f. er voor te zorgen dat de voorziening doeltreffend, veilig en cliëntgericht is.
2. Het college legt verder uit welke eisen er zijn voor de kwaliteit van voorzieningen in het kwaliteitskader pgb, de checklist of in de afgesloten overeenkomsten; 3. Naast andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door regelmatige overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 36. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
1. Om een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit een dienst die door een derde, als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet, wordt geleverd te waarborgen stelt het college vast:
a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving zoals bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derden; of
b. een reële prijs die geldt als minimumprijs voor:
i. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met derden, en
ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:
a. conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet, en
b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2 van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
3. Bij het vaststellen van de tarieven voor door derden te leveren diensten, houdt het college in ieder geval rekening met:
a. kosten van de beroepskracht;
b. redelijke overheadkosten;
c. kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
d. reis- en opleidingskosten;
e. indexatie van loon binnen een overeenkomst;
f. overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
4. Bij het vaststellen van de tarieven van door derden te leveren overige voorzieningen, houdt het college in ieder geval rekening met:
a. de marktprijs van de voorziening, en
b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:
i. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;
ii. instructie over het gebruik van de voorziening;
iii. onderhoud van de voorziening, en
iv. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.

Artikel 37. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
1. Het college zorgt voor een regeling om calamiteiten en geweldsincidenten te melden die plaatsvinden bij het verstrekken van een voorziening door een aanbieder. Het college wijst ook een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders moeten iedere calamiteit en elk geweldsincident die zich voordoen bij de verstrekking van een voorziening direct melden aan de toezichthoudend ambtenaar, zoals genoemd in artikel 6.1 van de Wet. 3. De toezichthoudend ambtenaar onderzoekt de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan met aanvullende regels bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Hoofdstuk 7. Toezicht en handhaving
Artikel 38. Misbruik en oneigenlijk gebruik van een maatwerkvoorziening in natura of persoonsgebonden budget
1. Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wet. Dit omvat de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze Wet. 2. Het college informeert cliënten, hun vertegenwoordiger en zorgaanbieders op een begrijpelijke manier over de rechten en plichten die horen bij het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb. Ook wordt uitleg gegeven over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet dan wel hetgeen krachtens de wet is verstrekt of toegekend.3. Het college onderzoekt periodiek, soms steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s om te kijken naar de kwaliteit en om te kijken of de wet rechtmatig en doelmatig wordt gebruikt.4. Het college stelt onderzoek in naar de rechtmatigheid van een maatwerkvoorziening of pgb als er een gegrond vermoeden bestaat van misbruik of van oneigenlijk gebruik van de wet door cliënten dan wel door zorgaanbieders.5. Het college legt vast in “Beleidsregel preventie, toezicht en handhaving rechtmatigheid Wmo en Jeugdwet en Handhavingskader na Wmo-toezicht gemeente Barendrecht 2026” hoe zij invulling geeft aan het onderzoek naar rechtmatig gebruik, preventie en handhaving hierop.6. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing over een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat sprake is van misbruik en/of oneigenlijk gebruik.7. Als een cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, worden de kosten in overeenstemming met artikel 2.4.1 van de wet verhaald.8. Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit artikel aanvullende regels stellen.9. Het college rapporteert aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en -prioriteiten.

Artikel 39. Verrekening
Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met nog uit te keren (periodieke) betalingen op grond van de Wet.

Hoofdstuk 8. Waardering mantelzorgers
Artikel 40. Jaarlijkse waardering mantelzorgers
Het college bepaalt in de aanvullende regels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering van mantelzorgers van cliënten van de gemeente bestaat.

Hoofdstuk 9. Klachten, medezeggenschap en inspraak
Artikel 41. Klachtenregeling
1. Iedere aanbieder heeft een regeling voor afhandeling van klachten van cliënten. 2. Het college controleert of aanbieders zich aan de klachtenregeling houden. Dit gebeurt via vaste overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. 3. Het college kan aanvullende regels stellen over hoe klachten moeten worden afgehandeld.

Artikel 42. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn. 2. Het college controleert of aanbieders deze medezeggenschapsregeling naleven.

Artikel 43. Burger- en cliëntenparticipatie
1. Er is een adviesraad die het college adviseert over het beleid voor het gehele sociale domein.2. Het college betrekt deze adviesraad op tijd bij:
a. het doen van voorstellen voor nieuw beleid,
b. het geven van advies over besluiten en verordeningen,
c. en zorgt dat zij hulp krijgen om hun werk goed te doen.
3. Het college zorgt ervoor dat de adviesraad kan deelnemen aan regelmatig overleg. De adviesraad mag zelf onderwerpen aandragen en krijgt de informatie en ondersteuning die daarvoor nodig is. 4. Het college maakt aanvullende regels om dit goed te regelen.

Hoofdstuk 10. Slotbepalingen en overgangsrecht
Artikel 44. Evaluatie
Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar geëvalueerd.

Artikel 45. Indexering
Het college heeft de bevoegdheid om jaarlijks per 1 januari bedragen uit deze verordening of de Nadere Regels Maatschappelijke ondersteuning te verhogen of verlagen. Dit maakt aanpassing aan bijvoorbeeld inflatie of beleidswijziging mogelijk.

Artikel 46. Hardheidsclausule
In uitzonderlijke gevallen mag het college afwijken van de verordening als strikte toepassing zou leiden tot onredelijke of onbillijke situaties. Dit biedt ruimte voor maatwerk ten gunste van de cliënt.

Artikel 47. Overgangsrecht
1. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening die voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening zijn verstrekt, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 2. Op bezwaarschriften tegen een besluit wordt beslist met inachtneming van de verordening op basis waarvan het betreffende besluit is genomen.

Artikel 48. Intrekking oude verordening, inwerkingtreding en citeertitel
1. Deze verordening treedt in werking na publicatie in het Gemeenteblad vanaf 1 januari 2026.2. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2022 wordt ingetrokken per 1 januari 2026.2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026. [Artikel 48 Intrekking oude verordening, inwerkingtreding en citeertitel bevat een kennelijke verschrijving in de doornummering van de leden, hier wordt bedoeld: na lid 2 volgt lid 3]

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Barendrecht van 4 november 2025. de griffier, de voorzitter,
Bijlage 1 Kwaliteitskader pgb Inwoners van Barendrecht die zorg of ondersteuning nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. Een klantmanager Wmo voert vervolgens een keukentafelgesprek en bespreekt met cliënt wat deze zelf kan en of er ondersteuning vanuit het netwerk of de gemeente nodig is. Dit kan leiden tot een maatwerkverstrekking op grond van de Wmo.
Kwaliteitskader pgb
Voor zorg of ondersteuning die met een pgb wordt gefinancierd zegt de Wmo dat deze ‘veilig, doeltreffend en cliëntgericht’ moet zijn. Dit geldt zowel voor formele als informele zorg. Het college heeft deze begrippen uitgewerkt in dit kwaliteitskader pgb. Ook is er een checklist opgesteld voor pgb- zorgaanbieders die zich in de gemeente willen vestigen of zorg willen leveren.
1.1 Kwaliteit van het persoonlijk budgetplan
De budgethouder zal voordat het pgb wordt toegekend een persoonlijk budgetplan en een ondersteuningsplan moeten overleggen inclusief een daarbij horende zorgovereenkomst. Het invullen van het persoonlijk budgetplan en zorgovereenkomst vereist bepaalde vaardigheden. Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee die gesteld worden aan een budgethouder of beheerder:
- Kennis van het doel van de Wmo. - Kennis hebben van beperkingen en stoornissen/ de hulpvraag. - Kennis hebben om de juiste ondersteunende activiteiten in te zetten en hun omvang om de geformuleerde doelstellingen/resultaten te kunnen behalen. - Kennis hebben van kosten in relatie tot de inzet van activiteiten. - Zelf het pgb-plan/budgetplan hebben opgesteld/ingevuld. - Kennis over hoe de zorgverlening te organiseren om resultaatafspraken te behalen. - Beheersen van de Nederlandse taal in woord en geschrift.

1.2. Financieel beheer
Een budgethouder moet in staat zijn een administratie te kunnen voeren. Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee:
- Administratie kunnen ordenen - Facturen/declaraties kunnen controleren (passend binnen de zorgovereenkomst), accorderen en insturen. - Inzicht hebben in het beschikbare en benodigde budget. - Het budget voor de juiste doeleinden kunnen inzetten. - Acties kunnen uitzetten bij externen indien iets verandert of niet correct loopt. - Digitaal vaardig zijn.

1.3. Zorginhoudelijk beheer
In staat zijn om de doelstellingen in het ondersteuningsplan te volgen en te bewaken. Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee:
- Inzicht hebben in de activiteiten/ondersteuning die worden geleverd. - Opzetten van een werkrooster. - Inzicht hebben hoe deze ondersteuningsactiviteiten bijdragen aan de doelstellingen. - Acties kunnen ondernemen om bij te sturen dan wel in te grijpen als de kwaliteit in het geding is. - In staat zijn om evaluatiegesprekken te voeren en de resultaten te volgen en bij te sturen bij onvoldoende resultaat. - In staat zijn om de juiste hulpverleners te kiezen passend bij de doelstellingen. - In staat zijn om afspraken te maken met de hulpverlener(s) en zorgovereenkomsten correct te kunnen invullen en afsluiten. - Aansturing van de zorgverlener.

1.4. Werkgeverschap
De budgethouder moet in staat zijn de werkgeversverplichtingen voortkomend uit het pgb te kunnen vervullen. Deze vaardigheid brengt de volgende eisen mee:
- Het juiste type zorgovereenkomst kunnen kiezen. - Het kunnen kiezen voor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd. - Het kunnen hanteren van wel/geen proeftijd. - Via het portaal SVB ziekmeldingen kunnen doen en de gemeente te informeren. - Doorbetalen van de hulpverlener bij ziekte. - Overeenkomen van een correct uurtarief. - Correct hanteren van de opzegtermijn.

2.0 Beheer van het pgb en pgb-vaardigheid beheerder
Als de budgethouder niet zelf het pgb kan beheren is het mogelijk een vertegenwoordiger aan te stellen die het budget beheert. De vertegenwoordiger kan een wettelijk vertegenwoordiger zijn of een gemachtigde. Aan de beheerder stellen we de volgende eisen:
- In de Wmo zijn de beheerder en de persoon die de ondersteuning levert niet dezelfde. - De beheerder moet dezelfde pgb-vaardigheden hebben als hierboven beschreven. - De beheerder toont aan dat ondanks de fysieke afstand van de budgethouder kan worden voldaan aan de taken en verantwoordelijkheden. - Als een toekomstig budgethouder een wettelijk vertegenwoordiger heeft kan deze ook als beheerder worden aangewezen. - De beheerder van het pgb wordt niet uit het pgb betaald ook niet vanuit een andere gemeentelijke financieringsvorm. - Het aanstellen van een beheerder is een vrijwillige en bewuste keuze van de aanvrager en is niet onder druk van de beheerder gebeurd. - De budgethouder heeft zelf de keuze gemaakt voor pgb ipv zorg in natura en niet de beheerder. - De beheerder kennis heeft op het gebied van zowel financiën als zorgtaken. - De beheerder mag zelf niet onder bewind staan. - De beheerder mag niet meer dan 3 budgethouders bedienen.

3.0 Kwaliteit in te kopen of ingekochte ondersteuning
De kwaliteit van de in te kopen ondersteuning is belangrijk om de uiteindelijke doelen en resultaten zoals opgesteld in het ondersteuningsplan te behalen. In de Wmo is als basiseis geformuleerd dat de ondersteuning veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht moet worden verstrekt. Om te kunnen spreken van goede kwaliteit van ondersteuning worden de volgende eisen gesteld:
3.1 Basiseisen

- De ondersteuningscontinuïteit is gewaarborgd. - De ondersteuning is tijdig en conform afspraak. - De ondersteuning is afgestemd op de reële behoefte van de budgethouder en op andere vormen van zorg of hulp. - De ondersteuning wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de budgethouder. - De zorgverlener, budgethouder of budgetbeheerder heeft een actieve signaleringsplicht ten aanzien van veranderingen in de gezondheid (fysiek en psychisch), de sociale situatie en de behoefte van de budgethouder aan andere zorg. Dit wordt gemeld aan de klantmanager. - De te leveren ondersteuning is afgestemd op het ondersteuningsplan van de Wmo. - De zorg of hulp leidt tot het behalen van de doelen en resultaten die beschreven staan in het ondersteuningsplan. - De zorgverlener spreekt op gelijkwaardig niveau met de budgethouder en er is een gelijkwaardige, volwassen relatie. - De budgethouder heeft vertrouwen in de zorgverlener. - De budgethouder kan zijn hulpvraag delen, de zorgverlener luistert en sluit aan bij de behoeften van de budgethouder. - Er is ook oog voor alle levensgebieden, zoals de woon-, werk- en leefomgeving van de budgethouder. - De zorgverlener kan familie en mantelzorger betrekken in de zorg. - De zorgverlener verwijst naar mogelijk

Terug naar het vergunningen overzicht

Details van vergunning

  • BeschrijvingVerordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Barendrecht 2026
  • Soortofficielepublicaties (Zorg en gezondheid | Orga)
  • Gepubliceerd op08-12-2025
  • Start08-12-2025
  • Straatnaam
  • Postcode

- Advertentie (?) -