Delen

- Advertentie (?) -

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026

08-12-2025

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht; overwegende dat:
- deze beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026 een nadere uitwerking vormen van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026 en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en zijn hiermee onlosmakelijk verbonden;
gelet op Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en Verordening maatschappelijke ondersteuning 2026; besluit vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026.
Inleiding
Deze beleidsregels zijn een verdere uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026 en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 ( Wmo 2015) . Ze horen bij deze wet- en regelgeving en kunnen niet los daarvan worden gezien. In de Wmo 2015 staat dat de gemeente verantwoordelijk is voor maatschappelijke ondersteuning. Ook moet de gemeente zorgen voor goede kwaliteit en het blijven bestaan van de voorzieningen. Als een inwoner met een beperking niet voldoende zelfredzaam of niet goed mee kan doen in de samenleving, moet de gemeente ondersteuning bieden. Eerst wordt gekeken of de inwoner het probleem zelf kan oplossen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden of algemene voorzieningen. Als dat niet genoeg is, kan de gemeente een maatwerkvoorziening bieden. Om goed te bepalen wat de inwoner nodig heeft, wordt een zorgvuldige procedure gevolgd. In deze procedure wordt gekeken wat de inwoner zelf kan doen, eventueel met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp uit het sociaal netwerk. Daarna wordt bekeken of er een algemene of andere voorliggende voorziening is die kan helpen. Pas als al deze mogelijkheden niet voldoende zijn, kan een maatwerkvoorziening worden ingezet.

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

- Wmo-verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026;
- Wmo-nadere regels: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Barendrecht 2026;
- Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- Gemeente: Barendrecht.

Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht, de Wmo-verordening en de Wmo-nadere regels.

Hoofdstuk 2. Overgang binnen sociaal domein

2.1 Overgang jeugdwet naar Wmo of participatiewet

Om een goede overgang te regelen van jeugdzorg naar ondersteuning via de Wmo of de Participatiewet, wordt van jeugdzorgaanbieders verwacht dat zij op tijd contact opnemen met de gemeente. Dit geldt wanneer een jongere 16,5 jaar oud is en de verwachting is dat hij of zij ook na het 18e levensjaar ondersteuning nodig heeft.
Daarbij gelden de volgende regels uit de Jeugdwet (artikel 1.1, definitie van “jeugdige”):

a. Pleegzorg en verblijf in een gezinshuis kan doorlopen tot de jongere 21 jaar is.
b. De jeugdzorg kan in bepaalde gevallen doorlopen na het 18de jaar tot maximaal 23 jaar als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- het gaat om jeugdzorg zoals beschreven in de 1e categorie van de definitie van jeugdhulp in art. 1.1. van de Jeugdwet; en
- indien er na het 18e levensjaar aantoonbaar geen andere vorm van financiering beschikbaar is vanuit bijvoorbeeld de Wet langdurige Zorg, de Wmo, de Zorgverzekeringswet of vanuit justitie;
- en voldaan wordt aan een van de volgende voorwaarden:
- de jeugdige kreeg al voor het18e levensjaar zorg en de gemeente vindt dat deze zorg moet doorgaan;
- vóór het 18e levensjaar is vastgesteld dat jeugdzorg nodig is;
- na beëindiging van de jeugdzorg (die was begonnen voor het 18de levensjaar) stelt de gemeente binnen een termijn van half jaar vast dat hervatting van de jeugdzorg noodzakelijk is.

Als de jeugdige jeugdzorg ontvangt in het kader van straffen en maatregelen of van reclasseringstoezicht is voortzetting tot het 23ste levensjaar verplicht, als justitie dat aangeeft.

In alle andere gevallen wordt verwacht dat de klantmanager Wmo zonder melding betrokken wordt bij het jeugdonderzoek. Dit voor een warme overdracht en de inzet van de juiste aanbieder.

Hoofdstuk 3 Aanbod van voorliggende-, algemene- en maatwerkvoorzieningen

3.1 Voorliggende voorzieningen

Voorliggende voorzieningen zijn regelingen of hulp die vallen onder een andere wet of die geregeld zijn in een privaatrechtelijke overeenkomst, zoals een aanvullende (zorg)verzekering. Als met de voorliggende voorziening de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie kan worden opgelost, is het niet nodig een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo toe te kennen.

Het kan ook voorkomen dat de kosten van een voorziening op basis van een andere wet niet als noodzakelijk worden gezien. Dan vindt er een onderzoek plaats naar aanspraak vanuit andere wetgeving. Als deze er is, hoeft de gemeente ook geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Een voorbeeld hiervan is een rollator die op grond van de Zorgverzekeringswet niet als noodzakelijk is aangemerkt.

Bij voorliggende voorzieningen kan onder andere gedacht worden aan:

- Zittend ziekenvervoer via de Zorgverzekeringswet;
- Hulpmiddelen vanuit de Zorgverzekeringswet;
- ZZP-indicatie via de Wet Langdurige Zorg;
- Hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen via het UWV of de werkgever, voor werk of school;
- Persoonlijke verzorging via de Zorgverzekeringswet;
- Tijdelijke Respijtzorg via de Zorgverzekeringswet;
- Beschut werk of aangepast werk met of zonder jobcoach via de Participatiewet
- Hulp voor jeugdigen via de Jeugdwet;
- Leerlingenvervoer via de Regeling leerlingenvervoer.

De gemeente moet per persoon bekijken of een voorliggende voorziening passend en voldoende is. Als dat niet zo is, of maar gedeeltelijk, wordt gezocht naar een andere oplossing.
Als iemand er zelf voor kiest geen gebruik te maken van een voorliggende voorziening, is dat geen reden voor de gemeente om toch een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo toe te kennen. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt of hij of zij de voorliggende voorziening wil gebruiken.

Aanspraak op een
Wlz
-verblijfsindicatie

De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als een cliënt een Wlz-indicatie heeft. Er zijn uitzonderingen. De volgende cliënten kunnen wél in aanmerking komen voor bepaalde voorzieningen:

• Wlz-cliënten die thuis wonen, óók als zij wonen in een geclusterd wooninitiatief of instelling en zorg krijgen via een MPT (modulair pakket thuis) of VPT (volledig pakket thuis). Zij kunnen een aanvraag doen voor:
- woningaanpassingen;
- hulpmiddelen;
- woonvoorzieningen;
- vervoersmiddel;
- een rolstoel;
- of collectief vervoer.

• Wlz-cliënten die in een instelling wonen, kunnen een aanvraag doen voor:
- collectief vervoer;
- het bezoekbaar maken van de woning

Als een cliënt op 1 januari 2021 al in een zorginstelling woonde en via de Wmo een rolstoel of vervoermiddel had, blijft de gemeente verantwoordelijk voor onderhoud en aanpassingen van dat hulpmiddel. Zodra het hulpmiddel vervangen moet worden, valt dit onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (het zorgkantoor).
Afwijzen van een aanvraag moet gebaseerd zijn op een onderzoek en met een goede motivatie. In het onderzoek moet worden vastgesteld dat de hulp of voorziening die via een andere wet (zoals Wlz of Zvw) wordt geboden voldoende is.
Als dat niet zo is, kan de gemeente besluiten om toch aanvullende ondersteuning te bieden of gemotiveerd af te wijzen.

Als tijdens het onderzoek (bijvoorbeeld een huisbezoek) blijkt dat er mogelijk sprake is van 24-uurszorg dichtbij of permanent toezicht, kan de cliënt een aanvraag doen voor een Wlz-indicatie.
Als de cliënt niet meewerkt aan het krijgen van een Wlz-indicatie, kan de gemeente op basis van artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 weigeren om een voorziening of ondersteuning te geven. Deze weigering moet gebaseerd zijn op een goed onderzoek en duidelijk worden uitgelegd.
Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is vaststellen of de cliënt voldoet aan de Wlz-criteria, namelijk de behoefte aan 24-uurszorg of permanent toezicht.
Als de cliënt niet meewerkt aan de doorstroom naar de Wlz, bijvoorbeeld door geen aanvraag te doen, kan de Wmo voorziening worden beëindigd of ingetrokken. Indien nodig, na het opvragen van medisch advies.

Aanspraak op zorg vanuit de
Zvw

Als persoonlijke zorg nodig is vanwege medische redenen of een verhoogd risico daarop, valt deze zorg onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). Een voorbeeld is persoonlijke verzorging die aan het lichaam gegeven wordt, zoals hulp bij wassen, aankleden, protheses aanbrengen, haren en nagels verzorgen, en persoonlijke hygiëne.
De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als de cliënt:

- Al recht heeft op zorg via de Zvw;
- Of als de cliënt waarschijnlijk recht heeft op deze zorg, maar niet meewerkt om die te krijgen.

Als het gaat over persoonlijke verzorging zonder medische component zoals instructie en begeleiding bij de persoonlijke verzorging voor specifieke doelgroepen met een verstandelijke en/of zintuiglijke beperking of bij psychiatrische problematiek dan kan deze hulp onder de Wmo vallen.

3.2 Algemene voorzieningen

Algemene voorzieningen

Algemene voorzieningen zijn diensten of activiteiten die iedereen kan gebruiken. Hiervoor is geen onderzoek nodig naar de behoefte of mogelijkheden van de gebruiker. Deze voorzieningen zijn bedoeld voor mensen met én zonder beperkingen.
Voorbeelden (niet limitatief) van algemene voorzieningen zijn beschikbaar op het gebied van:

- Vrijwilligersdiensten via de welzijnsorganisatie;
- Welzijnswerk in de vorm van welzijn op recept of anderszins;
- Budget- en administratie ondersteuning;
- Laagdrempelige inloop- en ontmoetingsplaatsen.
- Activiteiten in een inloopvoorziening op wijkniveau;
- Jeugd- en jongerencentra, jeugdwerk, consultatiebureau;
- Sociale alarmering;
- Onafhankelijke cliëntondersteuning;
- Mantelzorgondersteuning;
- Maatschappelijk werk;
- Openbaar vervoer, Buurtbus;
- Boodschappenservice;
- Maaltijdservice;
- Kinderopvang, gastouder voor- vroeg- en buitenschoolse voorzieningen;

Welzijnsorganisatie Kijk op Welzijn (KoW) biedt ondersteuning bij en organiseert veel initiatieven op het gebied van welzijn, sport, maatschappelijk werk en mantelzorgondersteuning.

Wonen Welzijn Zorg (WWZ)

Verspreid over Barendrecht zijn er ontmoetingsruimten en activiteiten die georganiseerd worden voor alle inwoners die daar behoefte aan hebben. In het Sociaal Hart zijn dagelijks activiteiten en ook kunt u op bepaalde dagen daar een warme maaltijd krijgen. In de Waterpoort worden verschillende activiteiten georganiseerd, meestal wel tegen betaling.
Buurtkamer Vrijenburg kent een aantal inloopactiviteiten op doordeweekse dagen. De activiteiten en tijdstippen zijn op te vragen via de welzijnsorganisatie Kijk op Welzijn.
Ook diverse kerken organiseren koffie- of eetontmoetingen, ook voor niet kerkelijk aangesloten inwoners.

Als u zich eenzaam voelt of moeite heeft om de dag prettig te vullen en bovenstaande activiteiten bieden geen passende oplossing, kunt u via de huisarts een welzijn op recept krijgen.
Een persoonlijke coach helpt u dan om bijvoorbeeld een nieuwe activiteit te vinden of nieuwe mensen te ontmoeten. Deze coach wordt betaald door de gemeente.

3.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen die:

- Niet specifiek bedoeld zijn voor mensen met een beperking;
- Daadwerkelijk beschikbaar zijn;
- Een passende bijdragen leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; en
- financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau op grond van algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen.

Er zijn steeds meer producten in de winkel, via tweedehands aanbod of online verkrijgbaar die voor veel mensen geschikt zijn. Bijvoorbeeld een uitgebreid assortiment aan kinderwagens, fietsen voor het vervoer van jonge kinderen en huishoudelijke apparaten. Dit zal de komende jaren zo blijven.

De klantmanager beoordeelt altijd of een product in de situatie van de cliënt voldoet aan de hierboven genoemde eisen.
Algemene gebruikelijke voorzieningen zijn beschikbaar op het gebied van (dit is geen limitatieve lijst):

- Auto/ fiets/ elektrische fiets /bromfiets, tandem en andere gangbare vervoermiddelen;
- Airconditioning in de auto; automatische versnellingsbak, stuurbekrachtiging, lage instap;
- Fiets met verlaagde instap, met trapondersteuning, tandem;
- Fietskar, fietszitje voor vervoeren kinderen;
- Bakfiets voor vervoeren van kinderen; aanhaakfiets;
- Keramische kookplaat, elektrische kookplaat, of inductieplaat;
- Alle soorten kranen (éénhendel- mengkranen, thermostaatkranen;
- Doucheglijstang set; standaard douchekruk of-stoel;
- Verhoogde toiletpot, hangend toilet, tweede toilet en wandbeugels;
- Verkrijgbare drempelhulp tot 15 cm voor binnenshuis en buitenhuis, met uitzondering van oprijplaten voor een rolstoel, een vlonder of hellingbaan;
- Centrale verwarming, zonwering; airconditioning
- Wasdroger, vaatwasser en magnetron.

Een woningaanpassing of renovatie die niet speciaal voor mensen met een beperking is, is algemeen gebruikelijk als het een oplossing biedt en betaalbaar is met een minimuminkomen. Wanneer een ruimte in de woning langer dan 30 jaar niet gerenoveerd is, is renovatie en vervanging algemeen gebruikelijk, ook bij woningen van de woningcorporatie.
Soms bestaat een maatwerkvoorziening deels uit een algemeen gebruikelijke voorziening. Bijvoorbeeld als bij een badkamer- of keukenaanpassing ook een gewone reguliere renovatie gebeurt. Die kosten voor de reguliere renovatie zijn voor de eigenaar zelf.
Kleine onderdelen zoals kranen, douchebak, douchecabine, spiegel, toiletrolhouder of zeepbakje bij een badkameraanpassing vallen onder algemeen gebruikelijke voorzieningen en worden niet vanuit de Wmo betaald. Ook onderdelen van de keuken, zoals kraan, koelkast, oven en kookplaat en meer dan noodzakelijke kastruimte bij een aanpassing van de keuken, horen hierbij. De extra kosten zijn dan voor de eigenaar.
Bij een volledige nieuwe aanbouw, badkamer of woonunit zijn basiszaken zoals toilet, douchecabine en kranen wel inbegrepen bij de maatwerkvoorziening. Daarbij geldt altijd dat de goedkoopst adequate oplossing wordt gekozen.

3.4 Maatwerkvoorzieningen algemeen

1.
Afwegingskader

Om te bepalen wie in aanmerking komt voor welke ondersteuning zijn afwegingskaders belangrijk. Deze kaders helpen tijdens het gesprek tussen de inwoner en de klantmanager (en eventuele begeleider/cliëntondersteuner) om een oplossing op maat te vinden.
Hieronder vatten wij het algemene afwegingskader samen:

Eigen verantwoordelijkheid en eigen kracht

De inwoner is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leven, zelfredzaamheid en participatie, met betrokkenheid van familie en het sociale netwerk.
De inwoner wordt gestimuleerd om zelf de regie te houden en eigen mogelijkheden te gebruiken, ongeacht eventuele beperkingen, en gebruik te maken van mogelijkheden in de eigen omgeving.

Toegankelijkheid

Er moet een goede balans zijn tussen eigen kracht, sociaal netwerk en Wmo-ondersteuning zodat iemand zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen.
Eerst wordt gekeken naar eigen mogelijkheden, hulp vanuit het sociale netwerk, gebruikelijke hulp en algemene dan wel voorliggende of algemeen gebruikelijke voorzieningen. Pas daarna komt maatwerk van de gemeente in beeld.

Inspanning van de inwoner

De gemeente verwacht dat de inwoner zich maximaal inzet en bereid is om stappen te zetten, ook als dit niet de eerste keuze is.
De inwoner wordt aangemoedigd om mee te werken aan voorgestelde oplossingen en deze te proberen. Afwijken kan, maar moet goed worden uitgelegd en gemotiveerd. Elke situatie vraagt om een persoonlijke afweging van de beste oplossing. Zonder goede reden niet meewerken kan leiden tot afwijzing van de Wmo-aanvraag.

2.
Doel van de ondersteuning

De ondersteuning helpt om zelfredzaamheid en deelname aan de maatschappij te behouden of te verbeteren op de volgende gebieden:

• gezondheid en zelfzorg;
• huisvesting en huishouden;
• zorg voor kinderen;
• beheer van administratie en financiën;
• dagbesteding;
• sociaal netwerk;
• maatschappelijke participatie
• en vervoer.

3.
Verstrekkingsmogelijkheden

Maatwerkondersteuning kan op drie manieren worden verstrekt:

a. Als zorg in natura.Zorg in ‘natura’ wordt door de gemeente ingekocht bij een gecontracteerde aanbieder. De cliënt krijgt de afgesproken zorg en betaalt daarvoor een eigen bijdrage. De gemeente betaalt de zorgaanbieder.Bij maatwerkvoorzieningen zoals huishoudelijke hulp, begeleiding of dagbesteding kan de cliënt kiezen welke van de gecontracteerde aanbieders de ondersteuning zal bieden.Voor hulpmiddelen en trapliften werkt de gemeente met vaste leveranciers op basis van offertes.
b. Door middel van een persoonsgebonden budget (Pgb).De cliënt koopt zelf de ondersteuning/voorziening in met een geldbedrag van de gemeente.De cliënt is zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de ingekochte zorg zoals beschreven in het kwaliteitskader Pgb. Ook hier geldt een eigen bijdrage.Er zijn de volgende mogelijkheden van een pgb:
1. Dienstverlening zoals huishoudelijke ondersteuning en begeleiding;
2. Hulpmiddelen en woningaanpassingen;
3. Vervoer, zoals een auto aanpassing.

De eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK) volgens landelijk beleid.
c. Een financiële bijdrage kan gegeven worden voor:
- Verhuiskosten

Hoofdstuk 4 Melding, onderzoek, aanvraag en besluit

4.1 Melding algemeen

1. Een verzoek om maatschappelijke ondersteuning begint met een melding. Deze melding kan door de cliënt zelf worden gedaan, of namens de cliënt.
2. De melding kan digitaal, schriftelijk of telefonisch worden ingediend.
3. Na de melding ontvangt de cliënt een bevestiging. Hierin staat dat de cliënt binnen zeven dagen na de melding een persoonlijk (ondersteunings)plan kan indienen (zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 wet). In dit plan legt de cliënt uit welke ondersteuning hij nodig vindt.
4. Na de melding kan de cliënt verzocht worden mee te werken aan een vraagverheldering om informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de behandeling van de melding. Als blijkt dat de cliënt met de gegeven informatie en advies het probleem zelf kan oplossen, wordt de melding afgerond.
5. Na de melding hoort de cliënt hoe het onderzoek verloopt. Dit kan telefonisch, via dossieronderzoek en/of een huisbezoek. Afhankelijk van de ondersteuningsvraag kan het onderzoek verschillen per voorziening.
6. Bij een nieuwe cliënt vindt in principe een huisbezoek plaats, tenzij er bijzondere persoonlijke omstandigheden zijn waardoor dat niet kan.
7. Bij een melding voor hulp bij het huishouden of een woningaanpassing vindt in principe een huisbezoek plaats, tenzij er door persoonlijke omstandigheden reden is om dit niet te doen.
8. De gemeente wijst de cliënt en de mantelzorger of belangenbehartiger voor het onderzoek op de mogelijkheid om gratis onafhankelijke cliëntondersteuning te krijgen.
9. Cliënten die zich willen melden voor beschermd wonen (intra- en semimuraal) en/of maatschappelijke opvang worden doorverwezen naar de centrumgemeente Rotterdam. De uitgangspunten hiervan zijn beschreven in hoofdstuk 12 en 13 van deze beleidsregels.

Spoedprocedure

• Als de situatie zo urgent is dat niet gewacht kan worden op het normale onderzoek, kan de zorgaanbieder gebruik maken van de spoedprocedure.
• Voor de maatwerkvoorzieningen kortdurend verblijf, Hulp bij het huishouden in de vorm van kindzorg of maaltijdverzorging en dagbesteding zijn spoedprocedures beschikbaar.
• Spoedprocedure wordt altijd door de zorgaanbieder of een verwijzend (huis)arts in gang gezet.
• De gemeente heeft afgesproken met zorgaanbieders dat bij spoed direct (zonder indicatie) twee weken ondersteuning kan worden gestart.
• Binnen die twee weken onderzoekt de Wmo-klantmanager samen met cliënt (en evt mantelzorger) wat naar de persoonlijke omstandigheden, de geleverde mantelzorg en de ondersteuningsvraag nog door de mantelzorger gedaan kan worden en waar extra hulp nodig is.
• Bij direct opvang wordt dit gemeld bij de centrumgemeente Rotterdam. Bij huiselijk geweld wordt Veilig Thuis direct ingeschakeld.

Voorzieningen

• Spoedzorg is altijd maatwerk en wordt in natura gegeven (via een aanbieder).
• Bij hulp in het huishouden gaat het alleen om niet uitstelbare taken, zoals zorgen voor eten, drinken en jonge kinderen. Eerst wordt gekeken of gebruikelijke hulp, het eigen netwerk, aanpalende wetgeving of voorliggende voorzieningen een oplossing kunnen bieden.
• Voor spoedopnames zijn crisisbedden beschikbaar.
• Als de cliënt blijvend 24-uurszorg of permanent toezicht nodig heeft, valt opname onder de Wlz. Het CIZ moet binnen twee weken een Wlz-indicatie afgeven.
• Tijdens de aanvraagperiode voor de Wlz indicatie zorgt familie of het sociale netwerk voor toezicht, o.a. in de avonduren en de nacht (in een later stadium wordt dan bekeken bij welke partij de kosten hiervoor worden neergelegd).
• Zorgaanbieders die zorg geven aan cliënten die niet aan de criteria voldoen, doen dit op eigen kosten.
• Bij alle spoedzorg moet een melding gedaan worden en moet schriftelijke toestemming gegeven zijn.

4.2 Cliëntondersteuning

In de brief waarmee de gemeente de ontvangst van het meldingsformulier bevestigt, staat dat de cliënt gebruik kan maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. Ook staat erbij bij wie deze ondersteuning gevraagd kan worden.

Cliëntondersteuning is bedoeld om mensen die kwetsbaar zijn te helpen zelfredzaam te blijven of te worden. Het is er niet alleen voor de cliënt zelf, maar ook voor de mensen om hem heen, zoals familie of mantelzorgers. Het helpt voorkomen dat er onnodig gebruik wordt gemaakt van voorzieningen.

De cliëntondersteuner helpt de cliënt zijn eigen kracht en netwerk te versterken. Dat doet hij bijvoorbeeld door:

- het ondersteunen van mantelzorgers,
- het inzetten van vrijwilligers,
- het zoeken naar oplossingen samen met het sociale netwerk (zoals familie of bekenden).

Een cliëntondersteuner moet onafhankelijk zijn van organisaties die de indicatie stellen of zorg leveren.
De ondersteuner weet goed welke hulp of zorg er in de buurt beschikbaar is. Hij of zij kan ook meegaan naar het gesprek met de persoon die bepaalt welke zorg nodig is.
Organisaties die cliëntondersteuning kunnen bieden zijn bijvoorbeeld:

• MEE Rotterdam Rijnmond,
• maatschappelijk werk,
• of een vrijwilligersorganisatie.

4.3 Onderzoek

1.
Medewerking cliënt en stappen in het onderzoek
De cliënt moet meewerken aan het onderzoek en de gemeente alle informatie geven die nodig is. Het gaat dan om gegevens en documenten die de cliënt redelijkerwijs kan aanleveren.Een zorgvuldig onderzoek door de gemeente verloopt in de volgende stappen (zoals bevestigd door de Centrale Raad van Beroep op 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819):
• De gemeente kijkt eerst wat precies de hulpvraag van de cliënt is.
• Daarna wordt onderzocht met welke problemen de cliënt te maken heeft bij het zelfstandig functioneren (zelfredzaamheid) of meedoen in de samenleving (participatie).
• Vervolgens wordt bepaald welke ondersteuning nodig is (en in welke vorm en hoeveelheid) om de cliënt goed te helpen.
• Dan onderzoekt de gemeente welke hulp de cliënt kan krijgen van:
- zichzelf (eigen kracht),
- huisgenoten (gebruikelijke hulp),
- mantelzorgers,
- het sociaal netwerk,
- en algemene of voorliggende voorzieningen (zoals beschreven in hoofdstuk 3).

• Alleen als deze hulp niet genoeg is, kan een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo worden toegekend.
• Als er speciale kennis nodig is voor het onderzoek, moet de gemeente een deskundige inschakelen.
• De cliënt krijgt informatie over:
- een eventuele eigen bijdrage die hij moet betalen,
- zijn rechten en plichten,
- het verdere verloop van de aanvraagprocedure,
- en de mogelijkheid om schriftelijk een aanvulling te geven op het onderzoeksrapport.

2.
Informatie bij andere instanties
De gemeente kan, met toestemming van de cliënt en binnen de kaders van de privacywet (AVG), informatie opvragen bij bijvoorbeeld de huisarts of andere betrokken hulpverleners. De gemeente mag met hen in gesprek gaan over de situatie van de cliënt en de meest geschikte ondersteuning.
3.
Resultaat van het onderzoek
Het onderzoek leidt tot een uitkomst. Die uitkomst kan bestaan uit één of meer van de volgende onderdelen:
• inzet van eigen mogelijkheden van de cliënt,
• hulp van het sociaal netwerk,
• gebruik van algemeen gebruikelijke voorzieningen,
• gebruik van algemene voorzieningen,
• voorzieningen uit andere wetten of regelingen,
• en/of een maatwerkvoorziening via de Wmo.

4.
Keuze voor soort maatwerkvoorziening
Als de cliënt recht heeft op een maatwerkvoorziening, krijgt hij uitleg over de keuze tussen:
• zorg in natura (via een aanbieder),
• of een persoonsgebonden budget (pgb).

De cliënt wordt hierbij ook geïnformeerd over:
• de voorwaarden voor het krijgen van een pgb,
• en de rechten en plichten die daarbij horen.

4.4 Eigen mogelijkheden en eigen kracht

In de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) staat het versterken van de eigen kracht van mensen centraal. De wet gaat ervan uit dat mensen eerst zelf proberen om hun problemen op te lossen, eventueel met hulp van mantelzorgers, huisgenoten en personen uit het sociale netwerk op te lossen. Pas als dat niet lukt, kan de gemeente ondersteuning bieden via voorzieningen.

Wat betekent "eigen kracht"?

Eigen kracht betekent dat mensen eerst kijken wat ze zelf kunnen doen of wat hun omgeving kan doen. Dat noemen we zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid. Het gaat bijvoorbeeld om:

• zelf beslissingen nemen over het dagelijks leven,
• zelf oplossingen zoeken voor problemen,
• meedoen aan de samenleving, ook als je beperkingen hebt.

Eigen kracht is niet alles zelf kunnen:

Het is niet de bedoeling dat mensen alles alleen doen, maar wel dat ze eerst kijken welke mogelijkheden ze zelf hebben of welke hulp ze uit hun eigen netwerk kunnen krijgen, zoals familie, vrienden of buren
De cliënt wordt geacht waar mogelijk zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Het is immers de verwachting dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Het gebruik van een eigen auto of een auto van een persoon uit het sociale netwerk is bijvoorbeeld een oplossing vanuit eigen kracht.

De gemeente kijkt ook naar het sociaal netwerk van de cliënt. Dit zijn de mensen en contacten om je heen die kunnen helpen. We maken daarbij onderscheid tussen twee soorten netwerken:

Sociaal netwerk

Dit zijn de persoonlijke contacten en relaties die je hebt (Harting & Assema, 2007), zoals:

• familie,
• vrienden,
• buren,
• kennissen of collega’s.

Van cliënten wordt verwacht dat zij in overleg met deze mensen kijken of er (gedeeltelijke) oplossingen mogelijk zijn.
Vrienden, kennissen en familie zijn tenslotte vaak bereid om te helpen.

Informeel netwerk

Dit zijn mensen of instellingen in de buurt of wijk die die vrijblijvend en zonder vaste structuur zorgen voor sociale samenhang en die in nauw contact staan met elkaar. Denk aan:

• kerken of moskeeën,
• scholen,
• buurtverenigingen.

Deze netwerken zijn minder persoonlijk, maar kunnen soms toch helpen of ondersteunen.

Het verschil:

Een sociaal netwerk bestaat uit mensen met wie je een emotionele band hebt.
Het sociale netwerk richt zich op het welzijn van de personen in dat netwerk.

Een informeel netwerk gaat meer over sociale samenhang in de leefomgeving (stad, dorp, wijk of buurt) waarin je woont en hoe mensen daar met elkaar omgaan.
De Wmo-klantmanager bespreekt tijdens het onderzoek met de cliënt of en hoe deze netwerken kunnen helpen. Dat kan leiden tot een passende oplossing zonder dat een maatwerkvoorziening nodig is.

Bijdrage vanuit eigen kracht

Van een cliënt mag ook worden verwacht dat hij of zij de woning aanpast of opnieuw inricht, als dat helpt om beperkingen te compenseren. Denk bijvoorbeeld aan het verplaatsen van meubels of het aanpassen van de indeling van het huis. Of het aanpassen van een dag- of weekplanning, passend bij de beperkingen en energiebalans.

4.5 Advisering

1. Als tijdens het onderzoek blijkt dat er specialistische kennis nodig is, kan de gemeente een deskundig advies aanvragen. Dit gebeurt alleen met toestemming van de cliënt, en volgens de regels van de privacywet (AVG).
2. Als de cliënt geen toestemming geeft, beoordeelt de gemeente of het onderzoek en/of de aanvraag toch kan worden afgehandeld met de beschikbare informatie.
3. Als er een extern onderzoek is gedaan, bekijkt de gemeente of dit zorgvuldig is uitgevoerd.

4.6 Onderzoeksrapport

1. Na het onderzoek maakt de gemeente een schriftelijk verslag van de bevindingen. Dit heet het onderzoeksrapport.
2. De cliënt ontvangt dit rapport per post of digitaal.
3. De cliënt (of diens vertegenwoordiger) krijgt 10 werkdagen de tijd om te reageren op het rapport.
4. Als er feiten niet kloppen, worden deze als aanvulling toegevoegd bij het onderzoeksrapport.
5. Opmerkingen of meningen van de cliënt kunnen als aanvulling worden toegevoegd, maar vervangen de tekst van het rapport niet. De Wmo-klantmanager beoordeelt deze aanvullingen.

4.7 Aanvraag

1. De cliënt kan pas een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doen nadat het onderzoek is afgerond.
2. De aanvraag wordt gedaan via:
• het ondertekende onderzoeksrapport, of;
• een speciaal aanvraagformulier.

3. Als het onderzoek niet binnen 6 weken na de melding is afgerond, mag de cliënt direct een aanvraag indienen.
4. De gemeente moet binnen 2 weken na ontvangst van de aanvraag een besluit nemen.
5. Lukt dit niet, dan ontvangt de cliënt een opschortingsbrief.
6. In deze brief staat waarom het langer duurt, en wanneer de beslissing alsnog wordt verwacht (volgens artikel 4:14 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht, Awb).

4.8 Opschorting beslistermijn

Als de cliënt voor de afhandeling van zijn aanvraag nog gegevens moet overleggen, dan wordt hem dat schriftelijk gevraagd, met vermelding van de termijn waarbinnen hij die gegevens moet overleggen. De afhandelingstermijn wordt opgeschort zolang de cliënt de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Als de gegevens niet binnen de termijn zijn verstrekt, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld als deze gegevens wezenlijk zijn voor de afhandeling van de aanvraag;

De beslis-/afhandelingstermijn kan eveneens worden opgeschort als:

- Er informatie uit het buitenland moet komen die onmisbaar is om te kunnen beslissen.
- Als de cliënt schriftelijk instemt met uitstel (telefonische afspraken over uitstel zijn schriftelijk te bevestigen);
- Als de vertraging aan de cliënt kan worden toegerekend;
- Als het door overmacht onmogelijk is te beslissen.

4.9 Geen melding gedaan

Als een cliënt een aanvraag indient terwijl er geen sprake is geweest van een melding en er is ook geen sprake is van een spoedeisende situatie dan wordt de aanvraag aangemerkt als een melding. De cliënt wordt ervan op de hoogte gesteld dat de aanvraag te vroeg is ingediend en aangemerkt is als melding. Dit betekent dat er eerst een onderzoek wordt gestart. Als de cliënt geen onderzoek wil dan neemt de gemeente de aanvraag in behandeling en wel door een besluit te nemen op basis van de beschikbare informatie. In dat geval is de kans groot dat de gemeente de aanvraag afwijst, omdat er te weinig informatie is om een goed besluit te nemen.

4.10 Aanvraag maatwerkvoorziening in de vorm van een Pgb

Bij de aanvraag voor een Pgb gelden extra regels. De cliënt moet bij de aanvraag een Pgb-plan aanleveren. Hiervoor is een standaardformat beschikbaar. In dit plan legt de cliënt uit waarom de ondersteuning geregeld moet worden met een Pgb.
De gemeente controleert of de cliënt of degene die het Pgb beheert, goed kan omgaan met het Pgb. De cliënt moet laten zien dat de hulp die ingekocht wordt, veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. De precieze voorwaarden staan beschreven in bijlage 1 en 2 van de verordening.

4.11 De beschikking

Na het onderzoek en de aanvraag ontvangt de cliënt een beschikking. Hierin staat:

• Welke maatwerkvoorziening is toegekend of afgewezen;
• Hoeveel uren of in welke omvang de ondersteuning geldt;
• Of de ondersteuning wordt geleverd via zorg in natura of een Pgb;
• De start- en einddatum van de indicatie;
• (Eventueel) het tarief van de ondersteuning, zodat de cliënt weet wat het kost;
• Of de cliënt een eigen bijdrage betaalt voor de maatwerkvoorziening.

De beschikking bevat ook een persoonlijke toelichting op dit besluit.

4.12 Heronderzoek en evaluatie

De gemeente werkt met doelen bij het geven van de ondersteuning. Dit betekent dat bij het toekennen van een maatwerkvoorziening doelen worden gesteld. Om te zorgen dat de hulp goed blijft passen, plant de gemeente samen met de aanbieder en de cliënt een evaluatiegesprek in. Tijdens deze evaluatie wordt besproken hoe de hulp verloopt en of deze moet of kan worden bijgesteld, rekening houdend met aangepaste wetgeving of beleid. Ook kan het (juiste) gebruik van toegekende hulpmiddelen en vervoersmiddelen worden bekeken.

Hoofdstuk 5 Maatwerkvoorzieningen

5.1 Voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor aan maatwerkvoorziening

Hoofdverblijf

Wanneer een cliënt aantoonbaar en langdurig het hoofdverblijf in de gemeente heeft komt deze in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. Dit blijkt meestal uit de inschrijving in de BRP van de gemeente, maar is niet noodzakelijk. De feitelijke situatie op het moment van het besluit is leidend. Een vakantiewoning telt niet als hoofdverblijf. Bij twijfel of een woning voor permanente bewoning bestemd is, kijkt de gemeente naar het bestemmingsplan.

Beperkingen en langdurige noodzaak

Om in aanmerking te kunnen komen voor een maatwerkvoorziening moet er sprake zijn van beperkingen op gebied van zelfredzaamheid of participatie. De beperkingen kunnen lichamelijk, verstandelijk, psychisch, geriatrisch of psychosociaal zijn. De cliënt kan een melding doen wanneer er hierdoor sprake is van belemmeringen in de zelfredzaamheid of het kunnen meedoen in de maatschappij. Soms is medisch advies nodig om de ernst of oorzaak van de beperkingen duidelijk te maken. En om vast te stellen of een maatwerkvoorziening medisch noodzakelijk is of dat deze juist anti-revaliderend werkt.

Daarnaast kan de (medisch) adviseur uitsluitsel geven over de vraag of er sprake is van een langdurige noodzaak.
‘Langdurig noodzakelijk’ betekent in principe langer dan 6 maanden of een blijvende situatie. Onder een ‘blijvende situatie’ wordt ook de terminale levensfase verstaan.
Voor sommige maatwerkvoorzieningen, bijvoorbeeld hulp bij het huishouden, kan het ook om een kortere periode gaan. Als de verwachting is dat cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren. Bijvoorbeeld wanneer behandeling of revalidatie nog mogelijk is, dan mag van kortdurende medische noodzaak worden uitgegaan. Bij ziektebeelden met afwisseling tussen goede en slechte periodes kan toch sprake zijn van een langdurige noodzaak.

Voorzienbaarheid

Voorzienbaarheid (vermijdbaarheid) is de mogelijkheid van de cliënt om zelf of samen met het eigen netwerk actie te ondernemen wanneer een situatie achteruit gaat en de problemen en belemmeringen toe zullen nemen.

Tijdens het onderzoek wordt nagegaan hoelang de cliënt zich al bewust is van aangegeven problematiek en het verloop daarvan en wat de cliënt gedaan heeft om de problematiek op te lossen. Op basis daarvan wordt voorzienbaarheid bepaald. Indien vastgesteld kan worden dat de cliënt zich bewust was van de problemen die zouden ontstaan en dat cliënt niets of onvoldoende heeft gedaan om zelf op te lossen, kan dit reden zijn om een voorziening of ondersteuning te weigeren. Belangrijk daarbij is rekening te houden met het feit of cliënt naast bewust ook in staat geweest is om een oplossing te bedenken en door te voeren.

Aan een afwijzing op basis van voorzienbaarheid moet altijd goed onderzoek en motivatie ten grondslag liggen. Leeftijd of een progressieve ziekte op zich is geen directe reden om op basis van voorzienbaarheid af te wijzen.

Hoofdstuk 6 Hulp bij het huishouden

6.1 Uitgangspunten voor hulp bij het huishouden

Hulp bij het Huishouden is een maatwerkvoorziening binnen de Wmo 2015. Het doel is om mensen te ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken, zodat zij zelfstandig kunnen blijven wonen en leven in een schone en leefbare omgeving. De Wmo 2015 definieert zelfredzaamheid als: ‘in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemeen dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden ’.
De inzet van de maatwerkvoorziening Hulp bij Huishouden draagt bij aan de zelfredzaamheid door ondersteuning te bieden op het gebied van huishoudelijke taken en eventueel ook lichte begeleiding bij het realiseren van een gestructureerd huishouden.

De gemeente gebruikt de meest recente versie van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning (van bureau HHM) als richtlijn om te bepalen:

• Welke hulp nodig is;
• Hoeveel tijd daarvoor nodig is (in minuten per week);
• Wat wel en niet onder huishoudelijke hulp valt.

Waarom een normenkader?

• Om objectieve, eerlijke en vergelijkbare besluiten te nemen;
• Om de rechtspositie van cliënten te versterken (duidelijkheid over tijdsbesteding);
• Om toch ruimte te houden voor maatwerk op basis van iemands persoonlijke situatie.

Het doel van het gebruik van het Normenkader is om uniformiteit in de toekenning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, waarbij deze is gebaseerd op volledige overname van het huishouden. Iedere individuele situatie wordt onderzocht en er wordt met behulp van deze richtlijn ondersteuning op maat toegekend. De gemeente kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Hierbij wordt gemotiveerd aangegeven waarom een toekenning wordt aangepast (verhogen of verlagen).

In het Normenkader 1 wordt uitgegaan van de volgende basisuitgangspunten:

a. Definitie van het resultaat: een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basis hygiëne-eisen.
b. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen.
c. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
d. De afbakening van de ruimtes waarop de voorziening betrekking heeft: de cliënt moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer/toilet en gang/trap/overloop.
e. De afbakening van activiteiten die onder de voorziening vallen en welke niet: Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maakt geen onderdeel uit van de ondersteuning bij het huishouden.
f. De normering van de voorziening: Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp, maken we gebruik van het meest recente Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning (bureau HHM).
g. Maatwerk, ondersteuning op maat: Het normenkader ziet op maatwerk voor de individuele cliënt. In het normenkader is aangegeven hoeveel tijd nodig is als sprake is van volledige overname van het huishouden bij de omschreven ‘gemiddelde cliëntsituatie’ (ofwel ‘ijkcliënt’) en op grond waarvan minder als mogelijk of meer als nodig ondersteuning wordt geboden.

Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger schoonmaakniveau, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding. Voor minder ondersteuning wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van eigen kracht, gebruikelijke hulp en het netwerk. Als sprake is van voorliggende voorzieningen/oplossingen, dan wordt hiervoor geen Wmo-maatwerkvoorziening inzet.

6.2 Gebruikelijke hulp in relatie tot hulp bij het huishouden

1. De gemeente hoeft geen maatwerkvoorziening te geven als de hulp kan komen van gebruikelijke hulp (artikel 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo).
2. De Wmo (artikel 1.1.1 Wmo) bepaalt wat gebruikelijke hulp is: hulp die je redelijk mag verwachten van:
• je echtgenoot of partner,
• je ouders,
• inwonende kinderen,
• andere huisgenoten.

3. Iedereen in hetzelfde huishouden is samen én individueel verantwoordelijk voor het schoonmaken en organiseren van het huis.
4. Als de huisgenoten die in de leefeenheid verblijven, geen beperking hebben, geldt:
• Onder huisgenoot wordt verstaan 'een persoon die- ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze- één huishouden vormt/samen een gemeenschappelijke woning bewoont met de persoon die beperkingen ondervindt,
• volgens artikel 1, bepaling d hoeft een huisgenoot niet te staan ingeschreven op het adres van de hulpvrager,
• die persoon moet de huishoudelijke taken uitvoeren,
• dit wordt gebruikelijke hulp genoemd (geen mantelzorg),
• gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter.

5. Een uitzondering hierop is de inwonende mantelzorger die door de overname van zorgtaken zijn huishoudelijke taken (gedeeltelijk) niet kan uitvoeren (het voorkomen van de uitval van de mantelzorger);
6. Op het moment dat één of meer personen van de leefeenheid om wat voor reden ook niet meer in staat is/zijn de afgesproken taken te vervullen, dan worden de overige leden van de leefeenheid geacht deze taken over te nemen. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
a. Iedere volwassene van 21 jaar of ouder wordt geacht naast een volledige baan of opleiding een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het hebben van een voltijd baan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp dus niet in de weg;
b. Het bieden van gebruikelijke hulp gaat ook voor op de andere activiteiten zoals sport, hobby’s of vrijwilligerswerk;
c. Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het huishouden wordt geen onderscheid gemaakt op basis van geslacht, geloof, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken.
d. Fysieke afwezigheid van de huisgenoot belemmert het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet. Ieder volwassen mens wordt geacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met zijn huishoudelijke taken. Een uitzondering kan gelden voor personen die vanwege arbeid langdurig van huis zijn (meer dan 7 etmalen aaneengesloten en met een regelmatig terugkerend patroon), waardoor zij de uitstelbare taken te lang niet kunnen verrichten; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland.
e. Gezondheidsproblemen van of overbelasting bij de inwonende huisgeno(o)te(n) kunnen ertoe leiden dat huishoudelijke taken niet of niet allemaal overgenomen kunnen worden. De gemeente onderzoekt daarom altijd of een leefeenheid door de langdurige uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en of overbelasting dreigt. Wanneer overbelasting dreigt, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden aangeleverd. Bij (dreigende) overbelasting kan de toekenning van hulp van korte duur zijn (minimaal 6 en maximaal 12 weken) om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner of ouder ten gevolge van het plotselinge overlijden van de andere ouder of partner overbelast dreigt te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.
f. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' (“nog nooit gedaan of nooit geleerd”) leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. In voorkomende gevallen kan er een indicatie worden gesteld voor een periode van zes weken voor het aanleren van de huishoudelijke taken en/of het leren organiseren van het huishouden. Dit is altijd een individuele beoordeling.
g. Kinderen worden op de volgende wijze geacht huishoudelijke taken op zich te nemen:
- kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding;
- kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien;
- kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen;
- ‘kinderen’ van 18-21 jaar (net als andere huisgenoten) worden verondersteld de taken van een één-persoonshuishouden te kunnen uitvoeren.

De huishoudelijke taken voor een één-persoonshuishouden zijn:

1. schoonhouden van een sanitaire ruimte;

2. keuken en een kamer schoonhouden;

3. de eigen was doen;

4. boodschappen doen;

5. maaltijd verzorgen;

6. afwassen en opruimen.

h. Het sociale en informele netwerk (buiten het huishouden) mag helpen, maar is niet verplicht. Deze hulp is aanvullend. Als het netwerk wegvalt, kan de gemeente tijdelijk ondersteuning bieden.

6.3 Normering schoon en leefbaar huis en eigen verantwoordelijkheid

Eigen verantwoordelijkheid

1. Een maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden wordt alleen toegekend als er geen andere oplossing is. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor het uitvoeren van taken waar toe deze zelf in staat is.
Concreet: als de cliënt in staat is op middenniveau lichte werkzaamheden te doen (bijvoorbeeld afstoffen) wordt verwacht dat deze taken ook uitvoert. In de dagelijkse praktijk kan dit betekenen dat een deel van het huishouden door de cliënt wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. Hierbij bestaat nadrukkelijk de mogelijkheid om huishoudelijke ondersteuning te leveren per 2 weken of elke andere frequentie dan wekelijks. Ook mag worden verwacht dat met de woninginrichting rekening wordt gehouden voor het makkelijker uitvoeren van schoonmaakwerkzaamheden.
2. Is de cliënt al gewend om voor eigen rekening een schoonmaakzorg in te huren, dan is alleen het feit dat zich beperkingen voordoen geen reden om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van de beperkingen mogelijkheden wegvallen, of dat de zelf ingekochte ondersteuning niet meer voldoende is.
3. Tijdens het gesprek met de cliënt worden alle mogelijkheden besproken. Onderzocht wordt of cliënt op eigen kracht of met zorg van zijn netwerk het gewenste resultaat kan bereiken. Er wordt ook gekeken of er algemene- of voorliggende voorzieningen aanwezig zijn die tot het gewenste resultaat kunnen leiden. Pas wanneer gebruikelijke hulp, de eigen mogelijkheden en algemene voorzieningen niet of onvoldoende van toepassing zijn, bekijkt de gemeente of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Als er bijvoorbeeld een wasservice beschikbaar is waarmee de cliënt het gewenste resultaat kan behalen hoeft de gemeente niet te ondersteunen. Datzelfde geldt voor een maaltijdvoorziening of een boodschappenservice. Ook als de cliënt voldoende mensen om zich heen heeft die huishoudelijke taken kunnen overnemen, hoeft er minder of niet ondersteund te worden.

Normering

Het doel is een schoon en leefbaar huis, niet dat alles wekelijks brandschoon is.
De ruimtes worden periodiek schoongemaakt zodat het huis veilig en hygiënisch is en niet kan vervuilen.

Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit één of meer onderdelen:

a. Schoonmaken van de woning
b. Wasverzorging
c. Maaltijdvoorziening (brood en/of warm eten)
d. Zorg voor kinderen
e. Advies, instructie en voorlichting

Schoonmaken van de woning

De hulp is gericht op het periodiek schoonmaken van de woning. Samen met de gemeente stemt de cliënt af welke huishoudelijke taken door de cliënt zelf kunnen worden opgepakt (of door het netwerk etc.) en welke taken de zorgaanbieder overneemt. Het type woning en de grootte van de woning is hierbij niet van invloed. In een groot huis met diverse niet in gebruik zijnde kamers wordt niet extra schoongemaakt. Het hebben van huisdieren is een keuze van de cliënt. In deze situaties wordt verwacht dat de cliënt zelf voor deze huisdieren kan zorgen. Huisdieren zijn dan ook niet van invloed op de frequentie van de uit te voeren taken.
Huishoudelijke ondersteuning kan ook kortdurend worden ingezet om toe te werken naar een zelfstandige uitvoering van de huishoudelijke taken. Hierbij voert de cliënt in toenemende mate zelf taken uit.

Taken die niet onder het resultaat van een schoon en leefbaar huis vallen zijn onder meer:

- Tuinonderhoud;
- Opruimen van schuur en zolder;
- Ramen wassen en zemen aan de buitenkant;
- Verzorging van huisdieren;
- Vervuiling door huisdieren, tenzij het een erkende hulphond betreft;
- Opruimen van het huishouden, terwijl cliënt hier wel toe in staat is.

De
wasverzorging

Wasverzorging gaat om het wassen, drogen, vouwen en opbergen (of onderdelen hiervan) van kleding en linnengoed. Verwacht mag worden dat de cliënt beschikt over een wasmachine. Als die er niet is behoort het tot de verantwoordelijkheid van de cliënt dat er een wasmachine geregeld wordt. Ook wordt van de cliënt verwacht dat de ondersteuning waar mogelijk tot een minimum wordt beperkt bijvoorbeeld door een wasdroger te kunnen gebruiken of kleding aan te schaffen die niet gestreken hoeft te worden. Van de cliënt wordt verwacht dat deze zelf zoveel mogelijk bijdraagt aan de (voorbereiding van) de wasverzorging.

Wasservice
als voorliggende voorziening

Wanneer er sprake is van een gebruikelijke hoeveelheid was, zoals de dagelijks kleding, beddengoed en keukenlinnen, kan de cliënt gebruik maken van de wasservice. De was wordt opgehaald, elders gewassen en gedroogd en weer bij de cliënt thuis terug gebracht. Dit is een voorliggende voorziening en gaat voor op een indicatie voor de wasverzorging als een cliënt geen netwerk heeft die kan ondersteunen bij de wasverzorging. De kosten voor de wasservice zijn algemeen gebruikelijke kosten, die een cliënt ook thuis zou betalen aan bijvoorbeeld wasmiddelen, water en stroom verbruik. Deze kosten dient de cliënt dan ook zelf te betalen aan de wasservice.
Wanneer er sprake is van overmatige hoeveelheid was op medische gronden, bijvoorbeeld door incontinentie, en een cliënt zich meerdere keren per dag moet verschonen, valt deze wasverzorging onder de indicatie voor hulp bij het huishouden.

Maaltijdvoorziening/boodschappen

De cliënt kan gebruik maken van verschillende (commerciële) boodschappendiensten als algemeen gebruikelijke voorziening. Aan een boodschappendienst kunnen kosten verbonden zijn.
Wanneer het verzorgen van de boodschappen wel wordt toegekend, heeft dit betrekking op boodschappen die nodig zijn voor de dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. Er wordt geen rekening gehouden met eigen voorkeuren van de inwoner (bijvoorbeeld voor speciaal voedsel dat beperkt verkrijgbaar is zodat extra gereisd moet worden). Er wordt alleen rekening gehouden met extra inspanningen die geleverd moeten worden vanwege aantoonbare medische redenen.

Onder maaltijdverzorging wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd en het opwarmen van de warme maaltijd. Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat indien nodig 1 keer per dag de broodmaaltijden worden bereid en klaargezet en 1 keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en klaargezet.

Kindzorg

Ouders zijn verantwoordelijk voor de persoonlijke zorg van kinderen jonger dan 6 jaar, ook als ze een beperking hebben. Elke ouder is zelf verantwoordelijk voor de opvang en het organiseren van de verzorging van de kinderen. Uitgangspunt hierbij is dat bij uitval van één van de ouders, de ene ouder, de taken van de andere ouder overneemt. De gemeente ondersteunt alleen als ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor kinderen tot en met vijf jaar.
Eerst moet beoordeeld worden of er sprake is van andere oplossingen, bijvoorbeeld door zorg voor het kind/de kinderen door de familie, het sociale netwerk en alle andere vormen van opvang.
In het geval van éénoudergezinnen wordt een beroep gedaan op de andere ouder(s)/verzorger(s)/opvoeder(s).
Voor kinderen is een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal een algemeen gebruikelijke voorziening. Het zal daarbij nooit gaan om volledige overname van de kindzorg. In die voorkomende situaties zullen andere oplossingen gezocht moeten worden. Voor-, tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of andere opvangmogelijkheden, maken het verstrekken van een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden vaak onnodig. Zo is kinderopvang op basis van een sociaal medische indicatie voorliggend op de Wmo evenals hulp aan gezinnen door daartoe opgeleide vrijwilligers.

Wanneer ouders geschieden zijn, wordt ook gekeken naar de rol van de (ex-)partner. Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke hulp van een van de ouders in het huishouden. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt echter niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder.

De ondersteuning is van korte duur om zo ouders de mogelijkheid te bieden taken anders in te delen en een oplossing te vinden. Hierbij wordt altijd uitgegaan van het zo mogelijk combineren van activiteiten. Dit betekent dat als een activiteit plaatsvindt voor meerdere personen en dit te combineren valt (bijvoorbeeld door maaltijdbereiding, kinderen naar bed of naar school brengen), het aantal toe te kennen minuten eenmaal telt en niet per persoon.
Een maatwerkvoorziening voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo. Concrete ondersteuning kan bestaan uit bijvoorbeeld wassen, aankleden, eten geven en luiers verschonen.

Regie en organisatie

Dit is bedoeld voor cliënten die slecht overzicht hebben bij het huishouden en geen netwerk hebben om te helpen. Er kan dan organisatie van het huishouden ingezet worden. Hierbij gaat het om het plannen en beheren van middelen (zorgen dat schoonmaakmiddelen op voorraad zijn) en het compenseren van tijdrovend gedrag door de cliënt, bijvoorbeeld als gevolg van psychiatrische klachten.
De hulp bij het huishouden wordt geleverd op grond van een ondersteuningsplan, waarbij duidelijk is welke activiteiten door de zorgaanbieder uitgevoerd dienen te worden. Het niet kunnen aansturen alleen is geen reden om deze component te indiceren. Er moet daadwerkelijk meer werk zijn om dit ½ uur extra per week in te gaan zetten.

Als adviseren en instrueren op structurele basis nodig is, ligt dit op het snijvlak van begeleiding
Dit betreft cliënten die beperkter leerbaar zijn, bijvoorbeeld vanwege psychiatrisch of cognitieve problemen als dementie, niet-aangeboren hersenletsel of een licht verstandelijke beperking.

6.4 Bij de inzet van maatwerkvoorziening Hulp bij het huishouden, onderscheiden we de navolgende diensten/producten:

1. Hulp bij huishouden (licht)
2. Hulp bij huishouden (zwaar)
3. Persoonlijke Dienstverlening (alleen mogelijk in combinatie met Hulp bij het huishouden (zwaar), als extra arrangement)

6.4.1 Hulp bij het huishouden (licht)

Omschrijving

Als de cliënt vanwege beperkingen niet meer zelfredzaam is en er geen mogelijkheid is ondersteuning te krijgen op eigen kracht, kan hulp bij het huishouden (licht) toegekend worden.

Resultaatgebieden (limitatief)

1. Schoon en leefbaar huis
2. Wasverzorging

6.4.2 Hulp bij het huishouden (zwaar)

Omschrijving

Hulp bij het huishouden (zwaar) wordt ingezet voor een schoon en leefbaar huis bij inwoners die dit niet op eigen kracht of met behulp van iemand in het sociale netwerk kunnen realiseren, en die geen gebruik kunnen maken van Hulp bij het huishouden (licht) om dit te bereiken.

Resultaatgebieden (limitatief)

1. Schoon en leefbaar huis
2. Wasverzorging
3. Boodschappen
4. Maaltijden

6.4.3 Persoonlijke Dienstverlening

Omschrijving

Persoonlijke dienstverlening is geen losse vorm van hulp en kan alleen als arrangement in combinatie met Hulp bij het huishouden (zwaar) worden ingezet. Persoonlijke dienstverlening heeft als doel het behouden van regie over het huishouden, het aanleren van activiteiten en het samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis, wasverzorging, het doen van boodschappen en maaltijdenverzorging. Daarnaast kan de voorziening worden ingezet voor de verzorging van minderjarige kinderen die onderdeel uitmaken van het huishouden. Persoonlijke dienstverlening bestaat uit planbare zorg.

Resultaatgebieden (limitatief)

1. Regie/organisatie, advies, instructie en voorlichting
2. Kindzorg

6.5 Het ondersteuningsplan

Als iemand hulp bij het huishouden nodig heeft, bespreekt de cliënt samen met de klantmanager welke hulp nodig is. Dit gebeurt aan de hand van vaste resultaatgebieden. Ook wordt vastgelegd hoeveel uren hulp gemiddeld nodig zijn. De klantmanager bepaalt op basis hiervan hoeveel uren hulp worden gegeven. Dit wordt opgeschreven in een ondersteuningsplan, dat onderdeel is van de officiële beschikking.
In het ondersteuningsplan staat ook welke taken de cliënt zelf doet, welke taken huisgenoten of mensen uit het sociale netwerk uitvoeren, en welke taken de zorgaanbieder overneemt. Voor elke taak geldt een standaard norm. Soms kan, als dat goed wordt uitgelegd, hiervan worden afgeweken. Hoeveel hulp iemand krijgt, wordt bepaald met behulp van het Normenkader.

6.6 Duur indicatie huishoudelijke hulp

Als het niet duidelijk is hoe ernstig en langdurig de aandoening en beperkingen precies aanwezig zijn, kijkt de Wmo-klantmanager eerst of er nog behandelingen mogelijk zijn. Ook moet worden onderzocht of hulp bij het huishouden het herstel niet kan tegenwerken. Voor het beoordelen of er sprake is van een anti-revaliderend effect, is een medisch advies nodig, want de klantmanager mag geen medische gegevens opvragen of beoordelen.
De medisch adviseur vraagt informatie aan de behandelaar en kijkt of hulp bij het huishouden het herstel kan belemmeren.
Als het advies is dat hulp bij het huishouden nodig is om aan het behandeltraject mee te doen, kan er een tijdelijke indicatie worden gegeven. Deze geldt dan zolang als het revalidatietraject duurt.
Voor de duur van de indicatie geldt dat als er verbetering of veranderingen worden verwacht, de indicatie voor die periode wordt afgegeven. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de leeftijd van de kinderen in het huishouden en de taken die daarbij horen.

6.7 Hulp bij het huishouden in bijzondere situaties

Tijdelijke opname in een ziekenhuis of instelling

Als een cliënt tijdelijk wordt opgenomen, stopt de zorg tijdelijk.
Als er iemand anders in het huis woont die ook zorg nodig heeft, gaat die zorg maximaal zes weken door. Binnen die zes weken kan een melding gedaan worden en wordt bekeken of de zorg langer nodig is, bijvoorbeeld als de opname langer duurt. Ook als de cliënt tijdelijk ergens anders buiten de gemeente verblijft, stopt de zorg tijdelijk. De indicatie blijft wel geldig.

Hulp bij het huishouden bij astma/COPD

De woning moet eerst ‘gesaneerd’ zijn. Dit is verplicht om extra hulp te krijgen.
Als de woning binnen zes maanden niet is gesaneerd, wordt de hulp tijdelijk gegeven tot de sanering klaar is. Daarna wordt opnieuw gekeken wat nodig is.

Hulp bij het huishouden bij een korte levensverwachting (palliatief)

Als de cliënt een zeer korte levensverwachting heeft, kan afgeweken worden van de normering gebruikelijke hulp om de directe omgeving te ontlasten. Maatwerk vraagt in deze situatie speciale aandacht.
Een eventuele indicatie wordt dan afgegeven voor de duur van de te verwachten levensverwachting.

Hulp bij het huishouden na overlijden van cliënt met achterblijvende partner

Als een cliënt overlijdt, loopt de hulp nog maximaal zes weken door voor de achterblijvende partner. Het gaat dan om een achterblijvende partner die voorheen niet in staat was tot gebruikelijke hulp. In die zes weken tijd kan de melding van de achterblijvende partner in behandeling genomen worden om te kijken of en welke hulp de partner nodig heeft en of er gronden zijn om een indicatie op naam van de partner af te geven. Gedurende deze zes weken blijft de achterblijvende partner de eerder afgegeven indicatie houden totdat de beoordeling voor een eventuele nieuwe indicatie heeft plaatsgevonden.

Hulp bij het huishouden en een Wlz indicatie

Als iemand een indicatie heeft voor de Wet langdurige zorg (Wlz), wordt de hulp vanuit die wet betaald. Soms is er naast de Wlz-geïndiceerde thuiswonende nog een partner met beperkingen waardoor er een

Terug naar het vergunningen overzicht

Details van vergunning

  • BeschrijvingBeleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026
  • Soortofficielepublicaties (Zorg en gezondheid | Orga)
  • Gepubliceerd op08-12-2025
  • Start08-12-2025
  • Straatnaam
  • Postcode

- Advertentie (?) -