Delen

- Advertentie (?) -

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2018

21-12-2017

Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Barendrecht 2018

De raad van de gemeente Barendrecht   gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht met kenmerk d.d. 1259201 d.d. 19 september 2017;
  Gelet op het advies van de commissie Samenleving 10 oktober 2017;


BESLUIT:
  De verordening Maatschappelijke Ondersteuning Barendrecht 2018 vast te stellen.  


HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen
1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
-
algemeen gebruikelijke voorziening : een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken;
-
andere voorziening : voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
-
bijdrage : bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;
-
ingezetene : cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Barendrecht;
-
hoofdverblijf : de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en
• in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel
• zal staan ingeschreven; dan wel
• het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven.

-
hulpvraag : behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;
-
gesprek : gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;
-
melding : kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015;
-
pgb : persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;
-
persoonlijk plan : plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;
-
Wet : Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
2. Voor zover niet anders bepaald, hebben begrippen in deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regels en beleidsregels dezelfde betekenis als in de wet.



HOOFDSTUK 2. MELDING, ONDERZOEK EN AANVRAAG

Artikel 2. Melding hulpvraag
1. Een hulpvraag kan schriftelijk door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.




Artikel 3. Cliëntondersteuning
1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning.



Artikel 4. Persoonlijk plan
1. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g, van de Wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen.2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in lid 1 aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening.



Artikel 5. Informatie en identificatie
1. Voor het gesprek of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.2. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, is vaststelling van de identiteit aan de hand van een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voldoende.



Artikel 6. Onderzoek
1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie.2. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek, tenzij de hulpvraag genoegzaam bekend is. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie. 3. De volgende factoren, ook genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wet, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in lid 2:
a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;
b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;
c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen;
d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen;
e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen;
g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen;
h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;
i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wet verschuldigd zal zijn, en
j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.
4. Indien de cliënt bekend is bij de gemeente, kan in samenspraak met de cliënt worden afgezien van het onderzoek zoals genoemd in lid 3 van dit artikel.5. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.6. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een verslag van het gesprek als bedoeld in lid 2.







Artikel 7. Advisering
1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:
a. Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen.
b. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken.
2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien:
a. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd.
b. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden.
3. Of in een andere situatie waarin het college dat wenselijk vindt.




Artikel 8. Aanvraag
1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.2. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.3. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een aanvraagformulier.4. Een ondertekend verslag van het gesprek kan, indien de cliënt dit wenst, worden beschouwd als aanvraagformulier.5. Het college neemt het verslag mede als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.






HOOFDSTUK 3. MAATWERKVOORZIENING

Artikel 9. Criteria voor maatwerkvoorziening
1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot compensatie en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van:
a. eigen kracht en/of
b. gebruikelijke hulp en/of
c. mantelzorg en/of
d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of
e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of
f. algemene voorzieningen en/of
g. andere voorzieningen, bijvoorbeeld op grond van de Wlz of de Zvw.
2. Het college kent slechts:
a. een maatwerkvoorziening toe voor zover deze overwegend op het individu is gericht, met uitzondering van respijtzorg;
b. de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening toe.




Artikel 10. Aanvullende criteria kortdurend verblijf
1. Om in aanmerking te komen voor Kortdurend Verblijf vanuit de Wmo moet naast de algemene voorwaarden genoemd in artikel 9, nog worden voldaan aan de hieronder genoemde voorwaarden:
a. de cliënt heeft een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap;
b. ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk.



Artikel 11. Aanvullende criteria beschermd wonen
Het college verstrekt de maatwerkvoorziening beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Rotterdam, de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels omtrent het persoonsgebonden budget in relatie tot beschermd wonen, de regels voor bijdrage in de kosten van beschermd wonen en de nadere regels van de centrumgemeente.


Artikel 12. Aanvullende criteria hulp bij het huishouden
1. De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden heeft als beoogde resultaten:
a. een schoon en leefbaar huis
b. beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften
c. beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding
d. thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren.



Artikel 13. Aanvullende criteria woonvoorzieningen
1. Een cliënt komt in aanmerking voor een uitraaskamer als er sprake is van aantoonbare beperkingen vanwege een gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag als gevolg van een ziekte of gebrek, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin hij/ zij tot rust kan komen.2. Indien cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt, kan het college een maatwerkvoorziening verlenen voor het bezoekbaar maken van die woning.3. Het college verleent slechts een woningaanpassing van een woonwagen of woonschip als:
a. de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip nog minstens 5 jaar is;
b. de standplaats van de woonwagen niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt;
c. het woonschip nog minimaal 5 jaar op de ligplaats mag blijven liggen.
d. de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond;
e. de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet.





Artikel 14. Aanvullende criteria vervoersvoorzieningen
1. Vervoersvoorzieningen kunnen als verstrekking worden ingezet om de volgende resultaten te bereiken:
a. Het zelfstandig lokaal verplaatsen per vervoermiddel.
b. Het kunnen ontmoeten van mensen en het op basis daarvan aangaan van sociale relaties.
2. Bij vervoersvoorzieningen geldt het primaat van het collectief vervoer. Op het collectief vervoer zijn de volgende criteria van toepassing:
a. De voorziening collectief vervoer wordt alleen verstrekt in natura in de vorm van een taxipas. Een pgb is hiervoor niet mogelijk.
b. De taxipas geeft de cliënt de mogelijkheid om maximaal 2000 km per jaar gebruik te kunnen maken van de regiotaxi voor regulier vervoer of rolstoeltaxivervoer.
c. Als aan de cliënt naast de taxipas voor collectief vervoer ook vanuit de Wmo een maatwerkvoorziening in natura of pgb is verstrekt, ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, wordt cliënt in staat gesteld om maximaal 1000 km te reizen met de taxipas.
d. Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld onder b en c van dit artikellid, niet volstaat dan kan cliënt in staat worden gesteld om meer kilometers met de taxipas te reizen.
e. De pashouder betaalt tarieven, die vergelijkbaar zijn met de tarieven van het openbaar vervoer, waarbij de zone indeling van het openbaar vervoer uitgangspunt is.
f. Uitgangspunt is dat 5 openbaar vervoer zones voldoende zijn voor lokale verplaatsingen. De 5 zones worden vanaf de instapzone berekend.
3. Begeleiding bij een vervoersvoorziening wordt alleen toegekend als cliënt:
a. agressief gedrag vertoont;
b. dwaalgedrag vertoont;
c. afhankelijk is van medische handelingen tijdens de rit.
4. Voor verstrekking van een scootmobiel gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
a. Het lopen of staan is zodanig beperkt, dat cliënt zijn bestemmingsdoel niet kan bereiken met een taxi of autorit.
b. De cliënt moet in staat zijn zelfstandig op en van de scootmobiel te stappen;
c. De cliënt heeft een substantiële vervoersbehoefte in de directe woonomgeving van de woning binnen de gemeente of woonkern;
d. De beperkingen zijn langdurend van aard en de vervoersbehoefte is vrijwel dagelijks;
e. Er moet een stallingsruimte, voorzien van een geaard stopcontact van 220 volt aanwezig zijn of gecreëerd kunnen worden.
f. Cliënt is in staat om –na instructie- op veilige wijze gebruik te maken van een scootmobiel.
5. Om in aanmerking te komen voor een handbike gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
a. cliënt is aangewezen op een rolstoel;
b. cliënt is in staat zich met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand (1,5 km) binnen redelijke tijd te verplaatsen;
c. cliënt heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte boven 1500 meter, die niet anderszins kan worden opgelost;
d. er dient een substantiële toegevoegde waarde te zijn als de handbike als verplaatsingsvoorziening in en om de woning of voor grotere afstanden wordt verstrekt.







Artikel 15. Aanvullende criteria rolstoelen
1. Cliënten komen in aanmerking voor een rolstoel als zij langdurig zijn aangewezen op zittend verplaatsen.Om in aanmerking te komen voor een elektrische rolstoel gelden de volgende criteria:
a. cliënt heeft medisch aantoonbare beperkingen die dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en waarvoor loophulpmiddelen, die zelf gekocht kunnen worden of via de zorgverzekeringswet verstrekt worden niet volstaan;
b. cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 100 meter verplaatsen;
c. cliënt kan veilig deelnemen aan het verkeer;
d. de woning van de cliënt is rolstoeltoegankelijk en rolstoeldoorgankelijk of kan met beperkte middelen worden aangepast.



Artikel 16. Aanvullende criteria sportvoorzieningen
1. Cliënt komt in aanmerking voor een sportvoorziening als is voldaan aan de volgende criteria.
a. cliënt maakt ook in het dagelijks leven gebruik van een loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel;
b. cliënt is zonder sportvoorziening niet in staat tot sportbeoefening;
c. beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk;
d. cliënt is lid van een sportvereniging.



Artikel 17. Weigeringsgronden
1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
a. wanneer voor de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;
b. indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wet en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;
c. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;
d. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt na afloop van de duur waarvoor de voorziening is verstrekt;
- tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;
- tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of
- als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

e. Als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase.
2. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt:
a. als deze niet langdurig noodzakelijk is, behoudens hulp bij het huishouden en een vervoerspas. Een uitzondering hierop is verder de kortdurende hulp aan de cliënt die leerbaar is. De voorziening is dan gericht op vermindering van de ondersteuningsbehoefte.
b. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente.
3. Geen woonvoorziening wordt verstrekt:
a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;
b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;
c. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;
d. indien cliënt verhuisd is naar een woning waarvan op grond van de aanwezige beperkingen voorzienbaar was dat cliënt hierin beperkingen zou ondervinden;
e. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.
f. de cliënt verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden;
g. indien cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, tenzij er sprake is van co-ouderschap;
h. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting.
4. Geen tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting wordt verstrekt indien:
a. een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen;
b. een persoon met beperking verhuist naar een Wlz-instelling.
5. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving






Artikel 18. Inhoud beschikking
1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;
b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;
c. hoe de voorziening wordt verstrekt;
d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;
e. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten.
3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;
b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb, waaronder de verplichting dat de zorgverlener een voor de verleende ondersteuning relevante Verklaring omtrent het gedrag (Vog) aanvraagt en desgevraagd kan tonen, die niet ouder is dan drie maanden;
c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;
e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb;
f. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.





Artikel 19. Regels voor pgb
1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wet.2. Om in aanmerking te komen voor een pgb moet budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger een ondersteuningsplan overleggen waaruit minimaal het volgende blijkt:
- inzicht in de problematiek van de ondersteuningsvrager;
- de duur en wijze van de ondersteuning;
- het resultaat van het te behalen doel van de ondersteuning;
- welke evaluatiemomenten gedurende de duur van de ondersteuning.
3. Cliënt is verplicht, als de ondersteuning wordt geboden door een niet professioneel persoon uit de sociale omgeving, bij het ondersteuningsplan een Verklaring omtrent gedrag (Vog) te voegen van deze persoon, die niet ouder is dan drie maanden. 4. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor wat betreft het vervoer is gebaseerd op het collectief vervoer in natura, waarbij het uitgangspunt geldt dat maximaal 2000 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. Als aan de cliënt ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving een vervoersvoorziening is verstrekt, wordt een maximum van 1000 km als uitgangspunt gehanteerd. Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het standaard aantal kilometers niet volstaat dan kan een groter aantal kilometers worden verstrekt. 5. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor overige zaken wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura of de door het college geaccepteerde offerte en is toereikend voor de aanschaf en het onderhoud daarvan.6. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor dienstverlening wordt bepaald op basis van het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op het uurtarief van de goedkoopst compenserende voorziening in natura. Bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen:
a. Het tarief voor professionals. Tot deze groep behoren personen die:
i. (bijvoorbeeld) werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
ii. aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel en de beschikking hebben over een beschikking geen loonheffingen (BGL). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. Zulks met uitsluiting van bloedverwanten in de eerste en tweede graad.

b. Informeel netwerk: hulp die geboden wordt door een persoon uit het sociaal netwerk van cliënt en die niet voldoet aan de onder a genoemde punten.
7. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor wat betreft begeleiding wordt voor professionals per uur bepaald op basis van 90% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling. 8. Het persoonsgebonden budget voor personen van het informeel netwerk wordt voor begeleiding per uur bepaald op basis van 70% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling, maar niet hoger dan het toepasselijke minimumloon als bepaald bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.9. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor huishoudelijke hulp bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de desbetreffende situatie goedkoopst compenserende in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. Voor de huishoudelijke hulp betreft dit de maatwerkvoorziening Schoonmaak en Persoonlijke Dienstverlening.
a. Een pgb voor huishoudelijke hulp Schoonmaak en Persoonlijke Dienstverlening wordt vastgesteld in uren en minuten. De hoogte van het pgb uur-tarief dat wordt gebruikt om de hoogte van de pgb te bepalen bedraagt maximaal 85% van het Zorg in natura (ZIN)-tarief.
10. Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. 11. De kwaliteit van de dienstverlening die ingezet wordt door een pgb moet van vergelijkbare kwaliteit zijn als de dienstverlening in zorg in natura. In het gemotiveerd plan dient aangetoond te worden op welke wijze deze kwaliteit geborgd is.12. Een pgb voor gebruik van eigen auto, van een taxi of het gebruik van een rolstoeltaxi is slechts mogelijk indien de cliënt medisch en/ of gedragsmatig niet in staat is gebruik te maken van het collectief vervoer met de regiotaxi.13. Voor regulier taxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd zoals die algemeen maatschappelijk wordt toegepast door de belastingdienst.14. Voor rolstoeltaxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd zoals die wordt toegepast door de zorgverzekeraars voor medische ritten.15. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb.

















Artikel 20. Nadere verplichtingen budgethouder
1. De budgethouder is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende te laten onderhouden en toereikend te verzekeren.2. De budgethouder dient over een nota/factuur en betalingsbewijs van de aangeschafte maatwerkvoorziening te beschikken.3. De budgethouder deelt het college op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de toekenning van het pgb.




HOOFDSTUK 4. ALGEMENE VOORZIENINGEN

Artikel 21. Algemene voorziening opvang
Het college verstrekt de algemene voorziening maatschappelijke opvang overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Rotterdam, de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels voor bijdrage in de kosten van opvang en de nadere regels van de centrumgemeente.
 


HOOFDSTUK 5. BIJDRAGE IN DE KOSTEN

Artikel 22. Bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen
1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een persoonsgebonden budget zolang de cliënt gebruik maakt van de maatwerkvoorziening in natura of het persoonsgebonden budget of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.2. In afwijking van lid 1 is geen bijdrage in de kosten zoals bedoeld in artikel 2.1.4 van de Wet verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:
a. rolstoelvoorzieningen;
b. kindvoorzieningen, niet zijnde een woningaanpassing
c. collectief vervoer (wel een tarief gebaseerd op de kostprijs van het OV).
3. De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.4. Voor de kostprijzen van de vastgestelde maatwerkvoorzieningen in natura wordt aansluiting gezocht bij de kostprijzen zoals deze worden gehanteerd door de gecontracteerde aanbieders.5. De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan het verstrekte bedrag.6. De bedragen en percentages die gelden voor een bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening zijn gelijk aan de maximale bedragen en percentages opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.7. Als een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:
a. De onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en
b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
8. In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.









Artikel 23. Bijdrage in de kosten algemene voorzieningen
1. Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van de Algemene Voorziening Schoonmaakondersteuning. Deze eigen bijdrage is gelijk aan de kostprijs. De kostprijs is gelijk aan het uurtarief waarvoor het college een aanbieder gecontracteerd heeft. Ingaande 01-01-2018 betreft de kostprijs € 23,09 per uur. 2. Inwoners die niet in staat zijn zelfstandig een gestructureerd huishouden te voeren, kunnen in aanmerking komen voor een korting, voor maximaal 130 uur op jaarbasis. Bij instroom gedurende het jaar is een aantal uren naar rato beschikbaar.3. De hoogte van de korting voor cliënten met een verzamelinkomen tot 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm bedraagt de hoogte van de in lid 1 genoemde kostprijs. De cliënt betaalt geen eigen bijdrage. 4. De hoogte van de korting voor cliënten met een verzamelinkomen van 130% tot 160% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm bedraagt € 18,09 per uur. De cliënt betaalt € 5,00 bijdrage per uur. 5. De hoogte van de korting voor cliënten met een verzamelinkomen vanaf 160% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm bedraagt € 13,09 per uur. De cliënt betaalt € 10,00 bijdrage per uur.6. De in het eerste lid genoemde kostprijs kan wijzigen aan de hand van ontwikkelingen van index en/of inkoop van hulp bij het huishouden. 7. De in lid 4 en lid 5 genoemde daadwerkelijk te betalen bijdragen per uur worden niet jaarlijks geïndexeerd en wijzigen niet eerder dan dat de gemeenteraad hierover op enig nader te bepalen moment een besluit heeft genomen








HOOFDSTUK 6. KWALITEIT EN VEILIGHEID

Artikel 24. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:
a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt en het aansluiten bij de informele zorg;
b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;
c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;
d. het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag door beroepskrachten die direct contact hebben met kwetsbare cliënten;
e. het er op toe te zien dat de voorziening doeltreffend, veilig en cliëntgericht en doelmatig is.
2. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.




Artikel 25. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:
a. de aard en omvang van de te verrichten taken;
b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;
c. een redelijke toeslag voor overheadkosten;
d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en
e. kosten voor bijscholing van personeel.
2. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:
a. de marktprijs van de voorziening, en
b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:
- aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;
- instructie over het gebruik van de voorziening;
- onderhoud van de voorziening, en
- verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. sociaal wijkteams).





Artikel 26. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wet. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.





HOOFDSTUK 7. TOEZICHT EN HANDHAVING

Artikel 27. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget
1. Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze Wet.2. De gemeenteraad stelt een handhavingsbeleidskader vast, waarin beleidsuitgangspunten en -prioriteiten worden aangegeven.3. Het college stelt ter nadere uitvoering van de handhaving een handhavingsuitvoeringsplan vast met inachtneming van het gestelde in het handhavingsbeleidskader.4. Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de Wet alsmede welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast.5. Het college rapporteert aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en -prioriteiten zoals vastgelegd in het handhavingsbeleidskader.






Artikel 28. Verrekening
Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met nog uit te keren (periodieke) betalingen op grond van de Wet.
 


HOOFDSTUK 8. WAARDERING MANTELZORGERS EN TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN

Artikel 29. Jaarlijkse waardering mantelzorgers
De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente wordt door het college nader bepaald.

Artikel 30. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
1. Het college verstrekt in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, en die een inkomen hebben lager dan een door het college nader te bepalen percentage van het wettelijk minimumloon, een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt.



HOOFDSTUK 9. KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK

Artikel 31. Klachtregeling
1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de klachtafhandeling.




Artikel 32. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.



Artikel 33. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.





HOOFDSTUK 10. OVERGANGSRECHT EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 34. Evaluatie
Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar geëvalueerd.


Artikel 35. Indexering
Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende gemeentelijke Besluit Maatschappelijke ondersteuning geldende bedragen verhogen of verlagen.


Artikel 36. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 37. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
1. De verordening Wmo gemeente Barendrecht 2015 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Wmo gemeente Barendrecht 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Wmo gemeente Barendrecht 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening Wmo gemeente Barendrecht 2015.4. Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.5. Op bezwaarschriften tegen een besluit wordt beslist met inachtneming van de verordening op basis waarvan het betreffende besluit is genomen.6. Van het in lid 5 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. 7. Cliënten met een geldige indicatie voor hulp bij het huishouden middels Schoonmaak of Persoonlijke Dienstverlening die is afgegeven voor 1 januari 2015 houden tot aan de einddatum van de toekenning het budget zoals vastgesteld per 1 juli 2014.








Artikel 38. Inwerkingtreding en citeertitel
1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2018.

 




Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Barendrecht van 31 oktober 2017.

De griffier,
mw. mr. G.E.
Figge
De voorzitter,
drs. J. van
Belzen


ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE BARENDRECHT 2018 HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1. Begripsbepalingen
Niet alle begripsbepalingen die zijn opgenomen in de wet zijn in dit artikel opgenomen.
Algemeen gebruikelijke voorziening Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Uit de jurisprudentie volgt dat daarbij de volgende criteria een rol spelen:  
• Is de voorziening gewoon verkrijgbaar? (zie CRvB 24-02-2016, nr. 13/2603 WMO-T en CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG); • Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? (zie CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank 's-Hertogenbosch 05-11-2012, nr. AWB 12/496); • Is de voorziening specifiek voor gehandicapten ontworpen? (zie CRvB 25-06-2008, nr. 06/6907 WVG); • Zou een gezonde persoon, ook gelet op de individuele omstandigheden van het geval, waaronder de leeftijd, over de voorziening beschikken? (zie CRvB 24-02-2016, nr. 13/2603 WMO-T, Rechtbank Arnhem 09-02-2012, nr. AWB 11/3598 en Rechtbank Arnhem 02-08-2012, nr. AWB 11/3598).
Andere voorziening De Wmo 2015 kent algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Echter, veelal kan een cliënt een beroep doen op een voorziening, die niet te beschouwen is als een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening. Te denken valt aan boodschappenservice van een supermarkt. Deze voorziening kan in de weg staan aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening, door een beroep te doen op de eigen kracht van de cliënt (artikel 2.3.5 lid 3 van de Wet). Bijdrage in de kosten Uit artikel 2.1.4 van de Wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een bijdrage in de kosten. Cliёnten zullen voor hun ondersteuning, als de gemeente daarvoor kiest, een bijdrage moeten betalen. Deze bijdrage kan, als het een maatwerkvoorziening betreft, afhankelijk worden gesteld van het inkomen en het vermogen. Op grond van artikel 2.1.4 lid 4 van de Wet zijn bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gesteld. Daarin is bepaald wat de ruimte is die de gemeenteraad (het college bij delegatie door de gemeenteraad) heeft voor het bepalen van de omvang van de eigen bijdrage. Ook voor een algemene voorziening kan een bijdrage van de cliёnt in de kosten worden gevraagd (m.u.v. cliëntondersteuning. Ingezetene De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 Wmo 2015). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet persé van de gemeente. Hetzelfde geldt voor de algemene voorziening opvang. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp belangrijk is maar niet doorslaggevend. Hoofdverblijf In de MvT staat dat ‘om een maatwerkvoorziening te krijgen, moeten de ingezetenen zich wenden tot het college van de gemeente waarin zij wonen’(TK 2013-2014 33 841, nr. 3, p. 126). De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. In de MvT staat echter ook ‘de regering hecht eraan te benadrukken dat de gemeente waar de betrokkene zich inschrijft in het Brp, op basis van dit wetsvoorstel gehouden is eventueel noodzakelijke maatschappelijke ondersteuning te verlenen’’ (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, p. 43).   Naar vaste rechtspraak van de CRvB vormen de Brp-gegevens bij de bepaling van de woonplaats echter slechts een belangrijke aanwijzing, maar ze zijn niet doorslaggevend. De vraag in welke gemeente de cliënt woonplaats heeft, dient beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO en CRvB 11-12-2013, nr. 11/46 WMO). Het gaat dan om de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft. Hulpvraag De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.1.4 lid 1 van de Wet. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wet is noodzakelijk. Gesprek Artikel 2.3.2 lid 1 van de Wet schrijft voor dat het college naar aanleiding van een melding een onderzoek verricht. Een vorm van persoonlijk contact (een gesprek) zal hiervoor meestal noodzakelijk zijn, maar is niet voorgeschreven op grond van de Wet. Melding Eenieder kan zich melden bij de gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Indien een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Persoonlijk plan In het plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk ‐ de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 onderdelen a tot en met e van de Wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 onderdelen a tot en met g van de Wet, worden onderzocht door het college. Doordat de cliënt hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door de cliënt een persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten in de Wmo versterkt. Hoofdstuk 2. Melding, onderzoek en aanvraag Artikel 2. Melding hulpvraag De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de hulpvraag. De melding kan schriftelijk of elektronisch worden gedaan. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden.   In het tweede lid is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, ofschoon dit ook blijkt uit artikel 2.3.2 lid 1 van de Wet. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. Uit de Memorie van Toelichting blijkt wel dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Artikel 3. Cliëntondersteuning De verplichtingen die in dit artikel genoemd worden, zijn ook neergelegd in de artikelen 2.2.4 lid 1 onderdeel a en 2.3.2 lid 3 van de Wet. Met name het wijzen op de beschikbare cliëntondersteuning zal een specifieke plek gaan innemen in de procedure na de melding. Cliëntondersteuning is gedefinieerd in artikel 1.1.1 van de Wet. De cliëntondersteuning moet gratis en onafhankelijk zijn en er kan dan ook geen bijdrage in de kosten voor worden gevraagd. Artikel 4. Persoonlijk plan De verplichtingen voor het college die hier genoemd worden, zijn ook opgenomen in artikel 2.3.2 van de Wet. Omdat het een specifieke plaats inneemt in de volgorde van de procedure, is het hier op de plaats in de procedure nogmaals ingevoegd. Doordat de cliënt voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Hiermee komt de regie bij de cliënt te liggen. Artikel 5. Informatie en identificatie Ook voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet de artikelen 2.3.2 lid 7 en 2.3.4 lid 1. Analoog aan artikel 4:2 Awb, dat voor de aanvraagfase van een besluit regelt dat de aanvrager de nodige gegevens moet verstrekken, is met lid 1 van artikel 5 geregeld dat de cliënt daartoe ook in de voorafgaande onderzoeksfase gehouden is. Om de identiteit vast te stellen van degene die zich bij het college meldt met een hulpvraag, vraagt het college de betrokkene zich te legitimeren met een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in de Wet op de identificatieplicht. Het kan gaan om een reisdocument als bedoeld in de Paspoortwet; dat zijn het nationaal paspoort, een diplomatiek paspoort, een dienstpaspoort, een reisdocument voor vluchtelingen, een reisdocument voor vreemdelingen en andere reisdocumenten door de Minister van Veiligheid en Justitie vast te stellen, en een reisdocument van het Europese deel van Nederland, te weten een Nederlandse identiteitskaart. Naast de genoemde documenten uit de Paspoortwet, kan een vreemdeling zich legitimeren met een document waarover hij op grond van de Vreemdelingenwet 2000 beschikt ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Tot slot biedt een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, de mogelijkheid tot legitimatie van een betrokkene, voor zover hij de nationaliteit van die andere lidstaat bezit. Artikel 6. Onderzoek Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de Wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. In artikel 6 wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat het past in het stelsel van deze Wmo dat daar de omgeving van de cliënt zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Het college onderzoekt:
• de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; • de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; • de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; • de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; • de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; • de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; • welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 Wmo 2015, verschuldigd zal zijn.
Lid 5: Tijdens het onderzoek zal de gemeente er goed aan doen betrokkene – mede met het oog op de rechten die de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) hem geeft – te wijzen op de consequentie dat voor het onderzoek en de behandeling van zijn aanvraag, maar ook voor de verlening van de toe te wijzen ondersteuning en de eventuele oplegging van eigen bijdragen persoonsgegevens over hem moeten worden verwerkt. Als dat zorgvuldig gebeurt, wordt bewerkstelligd dat betrokkene zich ervan bewust is dat zijn persoonsgegevens worden verwerkt en dat het van belang is dat deze juist zijn. Daardoor is betrokkene ook in staat om eventueel aan te geven dat hij niet instemt met de verwerking van bepaalde gegevens. Overwegingen van proportionaliteit hebben ertoe geleid dat het college een burger direct bij melding van een ondersteuningsbehoefte wijst op de werkwijze, hem verzoekt de nodige persoonsgegevens te verstrekken en hem ook toestemming vraagt voor de verwerking en verstrekking van de persoonsgegevens waarover de gemeente uit andere hoofde beschikt (persoonsgegevens die het college heeft verkregen ten behoeve van de uitvoering van de Jeugdwet, Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening) of die de gemeente van de zorgverzekeraar of de zorgaanbieder zou willen ontvangen en die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Wmo 2015. E.e.a. overeenkomstig artikel 5.1.1. van de Wet. Op deze wijze is gewaarborgd dat het college, waar relevant, voor de uitvoering van deze wet over de vereiste gegevens kan beschikken. Door de Wmo 2015 ontstaat een wettelijke basis voor de uitvoering van taken in het kader van de maatschappelijke ondersteuning en de verwerking van persoonsgegevens, waaronder bijzondere persoonsgegevens. Daarmee is de beperking van de persoonlijke levenssfeer in overeenstemming met de Grondwet bij de wet voorzien.   Geen toestemming Weigering van ondubbelzinnige toestemming brengt met zich dat de gemeente minder goed in staat zal zijn te komen tot een integraal aanbod; het ontbreken van de gegevens staat het toekennen van een maatwerkvoorziening niet per definitie in de weg. Het spreekt vanzelf dat het gevolg van het weigeren van toestemming kan zijn dat de maatwerkvoorziening niet of minder goed zal zijn afgestemd op andere voorzieningen die de cliënt ontvangt. Betrokkenen zullen het college in dat geval dan ook niet daarop kunnen aanspreken. Artikel 7. Advisering Het college is bevoegd om degene door of namens wie een melding is gedaan of door of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een voorziening. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In de Wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn. Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt. Artikel 8. Aanvraag In het kader van de volgorde van de procedure herhaalt 8 de Wet: de aanvraag kan pas worden ingediend na het onderzoek of na het verstrijken van de zes wekentermijn. Artikel 2.3.5, lid 1 van de Wet maakt duidelijk dat de aanvraag ziet op een maatwerkvoorziening. Andere oplossingen die tot tevredenheid kunnen bijdragen aan zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie kunnen zonder aanvraag en dus zonder beschikking worden ingezet. Met dit artikel wordt ook uitgewerkt de verplichting, neergelegd in artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a van de Wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Hoofdstuk 3. Criteria voor een maatwerkvoorziening Artikel 9. Criteria voor een maatwerkvoorziening In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.   Met de bepaling in lid 2 dat een maatwerkvoorziening overwegend op het individu is gericht, wordt benadrukt dat voorzieningen worden verstrekt voor het compenseren van beperkingen die de cliënt zelf ondervindt. Cliënten hebben bijvoorbeeld soms de wens om samen met het gezin te reizen. Wordt hier rekening mee gehouden, dan betekent dit veelal de verstrekking van duurdere vervoersvoorzieningen. Echter, bij de beoordeling of de voorziening voor cliënt compenserend is, moet het college tot op zekere hoogte wel rekening houden met de gezinssituatie (Rechtbank Arnhem 09-02-2010, nr. AWB 09/2537). Te denken valt aan de situatie dat een cliënt enkel kan participeren door samen te reizen met een ander gezinslid (bijvoorbeeld een alleenstaande ouder met kind).   In lid 2 is verder bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Een belangrijk voorbeeld van ‘goedkoopst compenserende voorziening’ is de maatwerkvoorziening voor verhuis- en inrichtingskosten.” Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer compenserend maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Artikel 10. Aanvullende criteria kortdurend verblijf Kortdurend verblijf is een maatwerkvoorziening (artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). De Wmo 2015 biedt de gemeente de mogelijkheid om ook andere voorzieningen te treffen dan alleen hetgeen past binnen de AWBZ-aanspraak kortdurend verblijf. Dit past binnen de maatwerkgedachte van de Jeugdwet en de Wmo 2015, waarbij het gewenste resultaat centraal staat: ondersteuning van de mantelzorg. In dit artikel wordt beschreven wanneer een cliënt in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf. Artikel 11. Aanvullende criteria beschermd wonen Gemeenten zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor beschermd wonen. De financiering daarvan loopt thans nog via de centrumgemeenten als bedoeld in de Wmo 2007. Beschermd wonen is - net als opvang - in principe landelijk toegankelijk. Een cliënt met een indicatie voor beschermd wonen (of een aanvraag die daartoe strekt) heeft net als elke Nederlander een vrije keuze om een woongemeente te kiezen. Zie ook artikel 1.2.1, eerste lid onder b van de Wet. De Wmo 2015 kent het be

Terug naar het vergunningen overzicht

Details van vergunning

  • BeschrijvingVerordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2018
  • Soortverordeningen en reglementen (bekendmaking)
  • Gepubliceerd op21-12-2017
  • Start21-12-2017
  • Eindn.v.t
  • Gewijzigd op21-12-2017
  • Straatnaam
  • Postcode

- Advertentie (?) -